wetzoeker

Paragraaf 6 — Verwijtbaar gedrag niet in overwegende mate aan de werknemer te wijten Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006

Verwijtbaar gedrag niet in overwegende mate aan de werknemer te wijten

Artikel 27, eerste lid, WW, bepaalt dat een lagere maatregel wordt opgelegd indien het niet nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a en onder b, ten derde, WW, de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

Als aan de werkloosheid een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag ligt, kan de mate waarin de werknemer het gedrag wordt verweten aanleiding zijn om de maatregel te beperken tot een verlaging van de uitkering tot 35% gedurende (maximaal) 26 weken.

Wanneer de werkloosheid veroorzaakt wordt doordat de werknemer de werkzaamheden en/of de dienstbetrekking heeft beëindigd dan wel de werkgever daartoe heeft verzocht, worden de volgende weegfactoren toegepast:

– was er sprake van een acute noodzaak voor de eindiging van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden;

– waren er reële en begrijpelijke bezwaren tegen voortzetting van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden die niet binnen redelijke termijn waren op te lossen, terwijl er geen acute noodzaak voor beëindiging van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden aanwezig was.

Regeling
Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006
Afkortingen
Bt art 24/27 WW
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-01-2007
BWB-id
BWBR0020335
Versie
2007-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl