5. Geschiedenis van het buitenlands economisch beleid in hoofdlijnen (deel 1) Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Het economisch beleid ten aanzien van het buitenland werd aangestuurd door het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Economische Zaken. Het ministerie van Buitenlandse Zaken kende tot 1945 een afdeling consulaire en handelszaken, die volgens de Staatsalmanak van 1946 zaken behandelde behandelen ‘op handels-, landbouw-, algemeen economisch of financieel gebied, welke de betrekkingen van het Koninkrijk met vreemde landen betreffen.’ Voorts behoorden tot de formele taken: tentoonstellingen op economisch gebied en jaarbeurzen in het buitenland, internationale zaken van industrieel eigendom, internationale petroleumzaken en internationale opiumzaken. Deze zaken vallen thans (mede) onder beleidsterreinen die door het ministerie van Economische Zaken worden aangestuurd en komen gedeeltelijk ook in dit rapport ter sprake. In ieder geval was het reeds bij de oprichting van het ministerie van Economische Zaken de bedoeling dat dit zich ook met buitenlandse betrekkingen zou bemoeien.
‘Bovendien worden op 1 april 1946 alle aangelegenheden van economischen en financieelen aard, waaronder onder ook ressorteeren zaken nopens raparatie en restitutie, overgedragen aan de Directie van Economische Zaken.’ Archiefcode 130.1 Dir. Inwendige Dienst Formatie departement 1946.
Rond deze taak en de uitleg die verschillende ministeries er aan gaven, speelde zich een jarenlange competentiestrijd af. Ook de variant dat de BEB onder het ministerie van Buitenlandse Zaken zou komen te ressorteren kwam daarbij ter sprake.
Moquette, 243.
De BEB werd bijgestaan door de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek (IRHP), waarvan ook het ministerie van Buitenlandse Zaken lid was. De BEB stond onder instructie van de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) uit de Ministerraad. ‘De meeste problemen ontstonden rond de organisatie en contacten met de posten in het buitenland. Daarbij werd er door de BEB naar gestreefd om in de economische afdelingen van ambassades en gezantschappen een soort eigen tegenhanger te creëren.’ De andere departementen ‘waren meer geporteerd voor een coördinatie op de posten door Buitenlandse Zaken (...) Zolang de BEB nog geen vast statuut had, poogden zij hun contacten dan ook veelal over de Directie Economische Zaken van BZ te laten lopen, dat zo in sommige opzichten een doublure van de BEB dreigde te worden.’
Van der Togt, 19.
Het Statuut of Mandaat van de BEB werd in 1946 vastgesteld. De vertegenwoordigingen in het buitenland werden hiervan in november 1946 in kennis gesteld. Het statuut regelde:
Moquette, 251–253.
– de coördinerende functie van de BEB inzake de handelspolitiek in interdepartementaal verband onder verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken;
– de noodzakelijkheid van contacten tussen de BEB en Buitenlandse Zaken i.v.m. de eenheid van het buitenlands beleid;
– dat de BEB werd belast met de voorbereiding, uitvoering en interdepartementale coördinatie van de richtlijnen van de REA;
– dat de Directeur-Generaal BEB werd bijgestaan door de IRHP, waarvan deze voorzitter was;
– dat de overige departementen de coördinerende functie van de BEB accepteerden en dat bij geschillen de REA zou beslissen;
– de Directeur-Generaal BEB zich tot de REA kon wenden voor goedkeuring van de IRHP-conclusies;
– handelsbesprekingen in beginsel door de BEB worden gevoerd; de samenstelling van en instructies voor onderhandelingsdelegaties werden door de REA opgesteld;
– dat handelsaangelegenheden zonder politieke component rechtstreeks tussen BEB en posten konden worden afgedaan;
– dat BEB en BZ elkaar op de hoogte stellen van de met buitenlandse vertegenwoordigers van vreemde mogendheden in Den Haag gevoerde besprekingen;
– dat indien een Chef de Poste bezwaar had tegen verkregen instructies van de BEB hij BZ hiervan op de hoogte kon stellen en dat verder overleg in Den Haag plaats zou vinden;
– wetsontwerpen en kamerstukken met betrekking tot handelsverdragen en overeenkomsten door EZ en BZ zouden worden ondertekend;
– Economische Zaken zorg zou dragen voor de contacten met en verantwoording aan de Staten-Generaal met betrekking tot de buitenlandse economische betrekkingen.
Voor de rechtstreekse buitenlandse economische betrekkingen van het bedrijfsleven zorgde een tijd lang het Centraal Orgaan voor de Economische Betrekkingen met het Buitenland. Dat is een stichting, opgericht op 6 november 1946 door hoofdgroepen van de Woltersomse organisaties, die optrad als vertegenwoordiging van het bedrijfsleven bij regeringsonderhandelingen over betrekkingen met het buitenland. De Woltersonse organisatie had tot aan de oprichting van de SER voor een gedeelte verordenende bevoegdheden voor de bedrijfstakken. Veel bedrijfsgroepen zijn later nog particuliere branche-organisaties geworden. Het Centraal Orgaan zond delegaties mee op vanuit de landbouw en vanuit industrie en handel. Het is met name betrokken geweest bij Benelux-onderhandelingen, maar niet in de reguliere delegaties bij de Europese gemeenschappen. Op 1 augustus 1990 werd dit in tussen particulier geworden orgaan opgeheven.
In 1945 karakteriseerde het buitenlandse economische beleid zich in een streven van de Nederlandse regering om volledige greep te krijgen op de handel met het buitenland. Door de afkondiging van een in- en uitvoerverbod zonder toestemming vulde de regering een reeks maatregelen aan die reeds vóór en tijdens de bezetting waren genomen met betrekking tot de productie en distributie van goederen. Er moesten goederen worden geïmporteerd om de nood in Nederland te lenigen. Om tot goede afspraken met het buitenland te komen werd gestreefd naar een netwerk van bilaterale handels- en betalingsafspraken waarbinnen in- en export werd geregeld. Tot aan de toekenning van de Marshallhulp leidde dit niet tot hoopgevende resultaten. Wij zullen zien dat deze hulp mede leidde tot Europese samenwerkingsverbanden die naar alternatieve uitwegen zocht voor dit op protectie gebaseerde stelsel.
Vanaf 1945 werden onderhandelingen gevoerd met België en Luxemburg over de vorming van een douane-unie, later van een economische unie. Deze unie leidde uiteindelijk in 1960 tot een verdrag. Intussen werd er gestreefd naar verschillende vormen van internationale samenwerkingsverbanden en wel
– op wereldniveau, om tot internationale afspraken te komen op het gebied van de vrijhandel, de GATT, en de ontwikkelingshulp, de UNCTAD
– op Europees niveau: de OEEC, de EGKS, Euratom, de EEG en later de Europese Unie.
Het EEG-verdrag van 1958 legde de grondslag voor een streven naar vrije markteconomie binnen de Europese Gemeenschap en naar een gemeenschappelijke markt die in internationale organen zoveel mogelijk communautair werd vertegenwoordigd.
Tegenwoordig stelt het ministerie zich – aldus een formulering van de missie van het Directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen
DG-BEB, Werkplan 2000, par. 2.1. Het hierna volgende is een samenvatting.
– tot taak ‘het stimuleren [van] een goed draaiende Nederlandse economie met een krachtige en dynamische marktsector, die naar internationale maatstaven concurrerend is.’ Het ministerie ijvert ervoor dat de internationale rechtsorde wordt versterkt en Nederlandse bedrijven in staat worden gesteld hun positie op de buitenlandse markten te versterken, en dat deze bedrijven op gelijke voet kunnen concurreren met andere ondernemingen. Bovendien ondersteunt het ministerie Nederlandse ondernemingen die buiten de grenzen actief zijn door te exporteren, te investeren of op andere gebieden van internationale economische samenwerking en kennisoverdracht. Dat wordt vertaald in drie hoofddoelstellingen:
– het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem, gebaseerd op internationale afspraken
– het vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt
- Regeling
- Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 12-10-2006
- BWB-id
- BWBR0020204
- Versie
- 2006-10-12_0