wetzoeker

3.1. Publiekrechtelijke waarneming Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein tijdelijke waarneming door de Raad van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000 (Raad van State)

De tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag heeft betrekking op specifieke gebeurtenissen. Het Koninklijk gezag is een term voor de rechten en plichten die aan de uitoefening van het gezag door de Vorst zijn verbonden. De waarneming van het Koninklijk gezag kan onderverdeeld worden in de publiekrechtelijke en de privaatrechtelijke waarneming. De publiekrechtelijke waarneming voorziet in de uitoefening van de staatsrechtelijke functie van de Koning door de Regent en de Raad van State. Sedert de eerste Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden van 1814 is vastgelegd dat het Koninklijk gezag wordt waargenomen door een Regent indien de Koning:

– minderjarig is;

– buiten staat is de regering waar te nemen;

– uitoefening van het Koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;

– na overlijden (of afstand doen) geen opvolger heeft;

– een nog niet geboren kind is dat tot het Koningschap is geroepen.

Wanneer er geen Regent is benoemd, wordt de continuïteit van het Koninklijk gezag gewaarborgd doordat volgens de Grondwet de Raad van State met de waarneming of uitoefening van het Koninklijk gezag wordt belast. In deze speciale situatie wordt het hier onderzochte taakgebied betreden.

Sedert 1814 zijn in de Grondwet bepalingen opgenomen over de situaties waarin en de procedure volgens welke een dergelijke waarneming dient plaats te vinden. De waarneming is beperkt tot het geval er geen opvolger naar de Grondwet aanwezig is, de troonopvolging onzeker is of de Koning niet in staat is persoonlijk het gezag uit te oefenen.

In de Grondwet van 1814 werd vastgelegd dat de Raad van State, ‘zamengesteld uit de leden, daarin gewone zitting hebbende,’ (mede) voorziet in de waarneming van het Koninklijk gezag wanneer op het tijdstip van het wegvallen van de Koning geen troonopvolger of Regent aanwezig is en waarop dan, een enige tijd in beslagnemende, benoemingsprocedure noodzakelijk zou zijn. Sedert 1983 neemt de Raad van State de uitoefening van het Koninklijk gezag waar zolang niet in de uitoefening is voorzien (afwachting benoeming Regent).

Waar in de Grondwet sprake is van ‘Raad van State’ wordt gedoeld op de Volle Raad. Tijdens herzieningen en vaststellingen van nieuwe Grondwetten in de periode van 1814 tot heden heeft een zekere ontwikkeling in de bepalingen betreffende de waarneming door de Raad van State plaatsgehad. Dit varieerde van relatief ingrijpende veranderingen in de artikelen (Grondwet 1848, Grondwet 1887 en Grondwet 1983) tot incidentele veranderingen (Grondwet 1815, Grondwet 1922).

De verandering van de bepalingen voor waarneming in 1983 betekende een beperking van de rol van de Raad van State ten aanzien van twee gevallen. Ingeval van een nog niet geboren kind dat tot het Koningschap is geroepen en ingeval van het ontbreken van een opvolger na overlijden van – of afstand doen van de Koning, is bij de Grondwetswijziging van 1983 de waarneming van het Koninklijk gezag toegewezen aan een Regent in plaats van de Raad van State. Bovendien heeft door de verandering in de Grondwet van 1983 de Raad van State niet meer de taak om de Staten-Generaal te convoceren om een nieuwe opvolger te benoemen.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein tijdelijke waarneming door de Raad van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000 (Raad van State)
Soort
KB
Geldend vanaf
20-04-2006
BWB-id
BWBR0019663
Versie
2006-04-20_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl