wetzoeker

2.3. Het BSD Preventief toezicht rechtspersonen Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen toezicht op Rechtspersonen, beleidsterrein Privaatrecht 1945-2000 (College van Beroep voor het bedrijfsleven)

Het PIVOT-rapport Preventief toezicht rechtspersonen. Een institutioneel onderzoek naar taken en handelingen op dit deel van het beleidsterrein privaatrecht (1945–2000) vormt de grondslag voor dit ontwerp-BSD. Het RIO geeft een historische beschrijving van het (deel)beleidsterrein preventief toezicht rechtspersonen en een overzicht van de handelingen die overheidsorganen hebben verricht. Dit onderzoek werd verricht in het kader van het op 20 december 1991 gesloten convenant tussen de algemene rijksarchivaris en de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie inzake de overdracht van de na 1940 gevormde archieven, waarin ondermeer afspraken zijn gemaakt over het verrichten van institutioneel onderzoek naar de taakontwikkeling van het Ministerie van Justitie. Het institutioneel onderzoek is verricht in de periode februari–november 1999. Het rapport is nadat het in april 2000 door het ministerie van Justitie is vastgesteld, op een aantal kleine punten geactualiseerd voordat het is gepubliceerd in de PIVOT-reeks van de RAD als nummer 95.

Het beleidsterrein preventief toezicht rechtspersonen is in het RIO opgevat als het geheel van beleidsinstrumenten dat door de overheid in de loop der tijd is ontwikkeld om misbruik van de rechtsvorm ‘rechtspersonen’ te voorkomen. Rechtshistorisch valt het handelen van de overheid ten aanzien van preventief toezicht rechtspersonen uiteen in twee perioden. In de eerste, die liep vanaf 1945 tot 1976, waren verschillende aspecten van het beleid ten aanzien van preventief toezicht rechtspersonen geregeld in meerdere wetten: de Wet Vereniging en Vergadering (Stb. 1855/32) en de Wet Coöperatieve Verenigingen (Stb. 1925/204), waarin het preventief toezicht op verenigingen was geregeld, het Wetboek van Koophandel (Stb. 1837/51,) waarin het preventief toezicht op naamloze vennootschappen – en vanaf 1970 ook op besloten vennootschappen – was geregeld, en de Wet op Stichtingen (Stb. 1956/511), waarin het preventief toezicht op stichtingen was geregeld.

Deze verschillende wetten werden met de invoering van boek 2 rechtspersonen van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 1976/395) ondergebracht in één wet. Hoewel het geheel van beleidsinstrumenten – waarbij voor wat betreft de belangrijkste actor van dit BSD, de Minister van Justitie, primair moet worden gedacht aan het verlenen van een verklaring van ‘geen bezwaar’ aan vennootschappen – daarbij in de kern gelijk bleef, werd de toezichthoudende rol van andere actoren als de Rechtelijke Macht (RM) en de Kamer van Koophandels (KvK’s) sterk vergroot. Door de afbakening van het RIO Preventief toezicht rechtspersonen (zie paragraaf 1.2) zijn de handelingen van de RM en de KvK’s echter niet opgenomen in het RIO en het BSD, zodat het niet noodzakelijk was de handelingen voor beide perioden separaat te beschrijven. De belangrijkste handelingen uit wetten van de periode 1945–1976 zijn namelijk ook opgenomen in het BW2, waardoor het Nieuw Burgerlijk Wetboek voor de dagelijkse praktijk van de actor de Minister van Justitie nauwelijks verandering heeft gebracht.

Bij de actoren Minister van Justitie en de Minister van Financiën staan ook de handelingen met betrekking tot de Rijkswetten ‘vrijwillige zetelverplaatsing’ (Stb. 1940/200; 1967/161) en ‘zetelverplaatsing door de overheid van rechtspersonen en instellingen’ (Stb. 1942/C16; 1967/162) vermeld. De periode begint voor het gros van deze handelingen in 1945.

Naast de handelingen uit de bovengenoemde beleidsterreinspecifieke regelgeving zijn er voor de actor Minister van Justitie ook nog algemene handelingen geformuleerd die betrekking hebben op de zogenaamde ‘hoge’ beleidsvoorbereiding, zoals onder andere de voorbereiding, vaststelling en evaluatie van wet- en regelgeving. Voor deze handelingen is in de wetgeving geen specifieke grondslag aan te wijzen. De periode voor deze handelingen loopt vanaf 1945.

De handelingen met betrekking tot de Wet Toezicht Kerkgenootschappen (Stb. 1853/102) staan in een aparte paragraaf beschreven, doordat een kerkgenootschap geen privaatrechtelijke rechtspersoon is. De Minister van Justitie is de enige actor voor deze wet, die in 1988 is ingetrokken waardoor de periode dus loopt van 1945 tot 1988.

Na het overzicht van de handelingen is als extra informatie een korte bijschrijving van het archief van de belangrijkste actor, de Minister van Justitie, toegevoegd. Hiermee kan de lezer zich een beeld vormen van de archiefbescheiden achter de handelingen, uiteraard op hoofdlijnen.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen toezicht op Rechtspersonen, beleidsterrein Privaatrecht 1945-2000 (College van Beroep voor het bedrijfsleven)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
03-03-2006
BWB-id
BWBR0019094
Versie
2006-03-03_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl