wetzoeker

Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006

Besluit van 18 november 2005, houdende regels over de vergoedingen die verschuldigd zijn voor door de Nationale ombudsman ontvangen klachten (Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-09-2026
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Staats- en bestuursrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0019082
Versie
2026-09-01_0
SHA-256 bron
1d3ddfc1dbaa4e72fd104d949a20c4c5d519593d7b91982e7f58584ff9015604

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (10)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. verzoekschrift: schriftelijk verzoek als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

c. openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 2

1 De vergoeding, bedoeld in artikel 1c, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, bedraagt:

a. voor provincies: € 0,0061 per 1 september 2026 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: € 0,0080 per inwoner per jaar;

b. voor gemeenten: € 0,2321 per 1 september 2026 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: € 0,2945 per inwoner per jaar;

c. voor waterschappen: € 0,0116 per 1 september 2026 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: € 0,0152 per ingezetene per jaar;

d. voor openbare lichamen: USD 0,1989 per 1 september 2026 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: USD 0,2582 per inwoner per jaar.

2 Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd.

3 Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, doen de waterschappen uiterlijk op 1 juli van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd, aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgaaf van de aantallen ingezetenen, bedoeld in artikel 116 van de Waterschapswet.

Artikel 3

1 De vergoeding, bedoeld in artikel 1c, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, bedraagt voor gemeenschappelijke regelingen € 1149 per 1 september 2026 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026: € 1.490 per verzoekschrift dat door de Nationale ombudsman wordt ontvangen over gedragingen van een bestuursorgaan dat tot de gemeenschappelijke regeling behoort.

2 In afwijking van het eerste lid, bepaalt Onze Minister, de Nationale ombudsman gehoord, in het geval dat twee of meer verzoekschriften dezelfde gedraging betreffen, dat eenmaal de voor een dergelijk verzoekschrift geldende vergoeding is verschuldigd.

Artikel 4

1 De vergoeding, bedoeld in artikel 2, wordt jaarlijks uiterlijk op 30 november van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd, voldaan aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2 Onze Minister stelt jaarlijks voor de provincies, gemeenten, openbare lichamen en waterschappen het bedrag van de vergoeding vast, gerekend over de periode 1 januari tot en met 31 december. Deze vaststelling geschiedt uiterlijk op 1 augustus van het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd.

Artikel 5

1 De vergoeding, bedoeld in artikel 3, wordt jaarlijks achteraf en uiterlijk op 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarover de vergoeding is verschuldigd, voldaan aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2 Onze Minister stelt jaarlijks voor de gemeenschappelijke regelingen het bedrag van de vergoeding vast, gerekend over de periode 1 januari tot en met 31 december. De vaststelling geschiedt terstond na de laatstgenoemde datum.

Artikel 6

Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, ieder jaar aangepast overeenkomstig het door het Centraal Bureau voor de Statistiek in het kader van de Nationale Rekeningen vastgestelde prijsindexcijfer van de netto materiële consumptie van de overheid, volgens de jaar-op-jaarmethode.

Artikel 7

Het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman wordt ingetrokken.

Artikel 8

1 Ten aanzien van vergoedingen die verschuldigd zijn geworden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals het voor die datum gold van toepassing.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op vergoedingen voor verzoekschriften die zijn ontvangen in de periode 1 september 2005 tot en met 31 december 2005.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006.