wetzoeker

Wet toelating zorginstellingen

Wet van 20 oktober 2005 tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2022
Afkortingen
WTZi, Wtz
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
BWB-id
BWBR0018906
Versie
2022-01-01_0
SHA-256 bron
c1d8baa9c037a7e9d9db92f1cf4e2d67e1cca4dc7634d9e6c2100d1b426308cf

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (68)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47
  48. Artikel 48
  49. Artikel 49
  50. Artikel 50
  51. Artikel 51
  52. Artikel 52
  53. Artikel 53
  54. Artikel 54
  55. Artikel 55
  56. Artikel 56
  57. Artikel 57
  58. Artikel 58
  59. Artikel 59
  60. Artikel 60
  61. Artikel 61
  62. Artikel 62
  63. Artikel 63
  64. Artikel 64
  65. Artikel 65
  66. Artikel 66
  67. Artikel 67
  68. Artikel 68

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 1

1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. vervallen;

c. College sanering: het College sanering zorginstellingen, genoemd in artikel 19;

d. Zorginstituut: het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

e. Fonds langdurige zorg: het Fonds langdurige zorg, genoemd in artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen;

f. instelling: een organisatorisch verband dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van toepassing zijn.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 Met het oog op de totstandkoming van een beleidsregel van de Nederlandse Zorgautoriteit op grond van artikel 57 van de Wet marktordening gezondheidszorg, kan bij ministeriële regeling met betrekking tot de instelling of instellingen waarvoor die beleidsregel geldt, worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van toepassing zijn voor de duur van het in die beleidsregel bedoelde experiment.

2 Alvorens overeenkomstig het eerste lid een ministeriële regeling wordt vastgesteld, wordt het ontwerp daarvan schriftelijk meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. De regeling wordt niet eerder vastgesteld dan nadat tien dagen zijn verstreken na die mededeling.

3 De regeling vervalt op het tijdstip waarop ingevolge de beleidsregel het experiment is geëindigd.

4 Onze Minister evalueert de toepassing van dit artikel tijdig en tijdens de uitvoering van het experiment.

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 3

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 5

Een instelling heeft geen winstoogmerk, behoudens de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van instellingen.

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk II — Winstoogmerk

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk IV — Exploitatie

Artikel 13

Vervallen

Hoofdstuk IV — Exploitatie

Artikel 14

Vervallen

Hoofdstuk IV — Exploitatie

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk IV — Exploitatie

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk V — Sanering

Artikel 17

1 Het bestuur van een instelling wendt zich tot het College sanering binnen zes weken na bekendmaking van een beslissing tot beëindiging van de uitvoering van bijzondere medische verrichtingen of beëindiging van het gebruik van apparatuur op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen.

2 Het College sanering stelt de financiële gevolgen van sanering vast ter zake van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, alsmede ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 18.

3 De in het tweede lid bedoelde vaststelling kan inhouden dat het College sanering subsidie verstrekt ter voorziening in de financiële gevolgen van de sanering.

4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

a. hetgeen onder financiële gevolgen van sanering moet worden verstaan;

b. de hoogte, de opbouw en wijze van berekening van de subsidie;

c. de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover;

d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

f. de vaststelling van de subsidie;

g. de betaling en terugvordering van de subsidie en het verlenen van voorschotten.

5 In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat het College sanering nadere regels stelt over daarbij aangewezen onderwerpen. De door het College sanering gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

6 Een beschikking tot subsidievaststelling wordt niet genomen dan nadat het Zorginstituut hieromtrent is gehoord.

7 De betaling van de subsidie of het voorschot geschiedt door het Zorginstituut ten laste van het Fonds langdurige zorg. Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

8 Indien het College sanering vaststelt dat de financiële gevolgen van de sanering een positief saldo voor de betrokken instelling inhouden, kan het College sanering bepalen dat het saldo wordt gestort in het Fonds langdurige zorg. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

9 Van besluiten als bedoeld in het tweede lid doet het College sanering mededeling aan Onze Minister.

10 Onze Minister doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal omtrent de door het College sanering ingevolge het tweede lid genomen besluiten.

11 Het College sanering is tevens belast met het toezicht op de sanering. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

Hoofdstuk V — Sanering

Artikel 18

1 Het bestuur van een instelling, met uitzondering van een academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat voornemens is om gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het College sanering.

2 Het College sanering beslist binnen acht weken na ontvangst van de mededeling of het bestuur van de instelling de gebouwen of terreinen kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht kan onderwerpen zonder zijn goedkeuring. Bij de goedkeuring kan het College sanering bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten opzichte van de boekwaarde wordt gestort in het Fonds langdurige zorg.

3 Een rechtshandeling die is verricht in strijd met dit artikel, is vernietigbaar. De vernietigbaarheid kan worden ingeroepen door het College sanering.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 19

1 Er is een College sanering zorginstellingen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College sanering is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

2 Het College sanering is belast met de taken die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

3 Het College sanering wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 20

1 Het College sanering bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter.

2 Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt op persoonlijke titel plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College sanering alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3 Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College sanering.

4 De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

5 Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

6 Onze Minister stelt de bezoldiging en de regels ten aanzien van de rechtspositie van de leden van het College sanering vast.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 21

1 Het College sanering stelt een bestuursreglement vast.

2 Vergaderingen van het College sanering zijn niet openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

3 In het bestuursreglement legt het College sanering in ieder geval vast hoe hij voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

4 Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden indien het doelmatig en doeltreffend functioneren van het College sanering onvoldoende wordt gewaarborgd.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 22

1 Voor het personeel van het College sanering gelden de arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het ministerie, waaronder het College sanering ressorteert.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald voor welke aangelegenheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 23

1 Het College sanering zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende kalenderjaar.

2 Het jaarplan omvat:

a. een werkprogramma met een beschrijving van de activiteiten die het College sanering voornemens is ter uitvoering van zijn taken te verrichten,

b. een begroting van de beheerskosten voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, en

c. een meerjarenraming voor de vier kalenderjaren volgend op het begrotingsjaar.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 24

1 Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december het budget voor de beheerskosten van het College sanering voor het volgende kalenderjaar vast.

2 Onze Minister kan besluiten het budget voor de beheerskosten van het College sanering te wijzigen.

3 Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten, doet het College sanering daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

4 Het College sanering gaat met betrekking tot de beheerskosten geen verplichtingen aan en doet geen uitgaven die leiden tot overschrijding van het vastgestelde budget voor de beheerskosten.

5 Indien het budget voor de beheerskosten niet is vastgesteld voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het College sanering bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.

6 Onze Minister kan besluiten dat het College sanering in een geval als bedoeld in het vijfde lid, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.

7 Het door Onze Minister vastgestelde budget voor de beheerskosten van het College sanering wordt gedekt uit 's Rijks kas.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 25

1 Het College sanering zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze Minister een jaarverantwoording over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het verslag van bevindingen, bedoeld in het zesde lid.

2 De jaarverantwoording omvat:

a. een jaarrekening, en

b. een jaarverslag omtrent het door het College sanering gevoerde beleid, de doeltreffendheid van dat beleid, de bedrijfsvoering en de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar.

3 Het College sanering legt in zijn jaarrekening, die zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingericht, rekening en verantwoording af over zijn beheerskosten en over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het beheer in het afgelopen kalenderjaar.

4 De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister desgevraagd inzicht te geven in zijn controlewerkzaamheden.

5 De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen door het College sanering.

6 De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie voldoen aan eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 26

1 De onderdelen «werkprogramma» en «begroting» van het jaarplan, bedoeld in artikel 23, en het onderdeel «jaarrekening» van de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 25, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

2 Het eerste lid geldt niet voor wijzigingen in een goedgekeurde begroting, mits:

a. de totale omvang van de begroting geen wijziging ondergaat, en

b. de wijziging per groep van kostensoorten en baten, gerekend over het desbetreffende begrotingsjaar, een bedrag van 5 procent van het in artikel 24 bedoelde budget niet te boven gaat.

3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud en de inrichting van:

a. het jaarplan, bedoeld in artikel 23;

b. de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 25;

c. de verklaring, bedoeld in artikel 25, vierde lid, en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 25, zesde lid, alsmede het aan die verklaring en dat verslag ten grondslag liggende onderzoek.

4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het budget, bedoeld in artikel 24, wordt vastgesteld.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 27

1 Na de goedkeuring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, stelt het College sanering het jaarplan en de jaarverantwoording algemeen verkrijgbaar.

2 Onze Minister brengt zijn oordeel over het functioneren van het College sanering ter kennis van beide Kamers der Staten-Generaal.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 28

Vervallen

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 29

Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening van de taken van het College sanering.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 30

1 Een besluit van het College sanering kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2 Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 31

Vervallen

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 32

Vervallen

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 33

Het College sanering verstrekt desgevraagd aan de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. De Nederlandse Zorgautoriteit kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de invulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Hoofdstuk VI — College sanering

Artikel 34

Het College sanering verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen en gegevens. Het College sanering verleent aan door Onze Minister aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens die Onze Minister nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.

Hoofdstuk VII — Toezicht

Artikel 35

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, behoudens artikel 5, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.

Hoofdstuk VII — Toezicht

Artikel 36

De in artikel 35 bedoelde personen beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk VIII — Sancties

Artikel 37

Het College sanering is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, eerste en achtste lid, en 18, eerste en tweede lid.

Hoofdstuk IX — Rechtsbescherming

Artikel 38

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 39

1 De artikelen 15, 16 en 37, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders, blijven ten aanzien van een instelling van toepassing voor zover die instelling in de periode, voorafgaand aan dat tijdstip aan de in de artikelen 15 en 16 opgenomen verplichtingen diende te voldoen.

2 Ten aanzien van bezwaar en beroep tegen een besluit dat ter handhaving van artikel 13 is genomen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders, is het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip van toepassing.

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 40

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 41

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 42

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 43

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 44

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 45

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 46

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 47

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 48

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 49

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 50

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 51

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 52

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 53

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 54

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 55

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 56

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 57

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 58

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 59

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 60

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 61

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 62

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 63

Vervallen

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 64

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College sanering zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 65

Een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Zij treedt in werking op een tijdstip dat nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel ingetrokken.

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 66

1 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

2 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het College sanering.

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 67

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk X — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 68

Deze wet wordt aangehaald als: Wet toelating zorginstellingen.