wetzoeker

2. Hoofdlijnen van het handelen van de overheid op het beleidsterrein sociale zekerheid en sociale verzekeringen Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Sociale Verzekeringen periode [1940] 1997-2003 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

Het onderwerp van dit basisselectiedocument vormt een deel van het beleidsterrein sociale zekerheid. Dit beleidsterrein heeft betrekking op de overheidstaken in het kader van het recht op het gebied van de publieke sociale zekerheid, met als doel het bieden van inkomensbescherming. Hiermee wordt een belangrijke rechtsplicht van de overheid ‘het bieden van financiële bestaanszekerheid aan een ieder’ vormgegeven. In 1983 is deze overheidstaak geformaliseerd in art. 20 lid 2 en 3 van de Grondwet.

De doelstelling, zoals hierboven omschreven wordt langs verschillende wegen gerealiseerd, enerzijds lenigt de overheid – door het verstrekken en aanvullen van inkomens – (directe) financiële nood. Anderzijds tracht de overheid door middel van het ontwikkelen van beleid gericht op het voorkomen van het verlies van inkomen (preventie) en het reïntegreren van arbeidsongeschikten en werklozen in het arbeidsproces, het beroep wat gedaan wordt op het stelsel van inkomensbescherming terug te dringen.

Van oudsher wordt in de sociale zekerheid op grond van het verschil in de mate van overheidsbemoeienis en de financieringsbron, een onderscheid gemaakt tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Sociale verzekeringen (inkomensdervingregelingen) verzekeren de financiële gevolgen wanneer men als gevolg van ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid niet (meer) aan het arbeidsproces deelneemt en worden bekostigd uit premiebijdragen van werkgevers, werknemers en ingezetenen. Sociale voorzieningen (minimumbehoeftenregelingen) zijn bedoeld om wanneer in een bepaalde situatie de middelen van bestaan onvoldoende zijn, het inkomensniveau aan te vullen tot het ‘sociaal minimum’.

1 Regelingen die vergoedingen verstrekken voor specifieke kosten zoals de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Kinderbijslagwet kunnen niet behulp van deze definities worden omschreven. De Wvg maakt onderdeel uit van de sociale voorzieningen, de AKW valt onder de sociale verzekeringen.

Deze voorzieningen worden betaald uit de ‘algemene middelen’ (opbrengsten van de verschillende belastingen). Laatstgenoemd onderdeel is aan de orde gekomen in het BSD Sociale Voorzieningen. De sociale verzekeringen worden in dit BSD behandeld.

Kenmerkend voor de sociale verzekeringen is het sociale- en het verzekeringsaspect. Het sociale aspect had in de aanvang de betekenis van hulp aan economische zwakkeren. De eerste sociale verzekeringen (de Ongevallenwet, de Invaliditeitswet en de Ziektewet) verzekerden werknemers en vooral de economisch zwakkeren onder hen. Later vond uitbreiding plaats tot alle werknemers en zelfs tot de gehele bevolking. De sociale verzekeringen raken niet alleen de persoonlijke belangen van de verzekerden maar ook het algemeen belang. Kenmerkende verschillen met de particuliere verzekeringen zijn het wettelijke en het verplichte karakter. Voor wat betreft het verzekeringsaspect is het volgende van belang. De verzekerde verzekert zich uit voorzorg tegen de gevolgen van bepaalde risico’s en moet voldoen aan zijn plicht om premie te betalen, de verzekeraar vergoedt schade of verstrekt een uitkering wanneer de verzekerde calamiteit plaatsvindt. Risico’s worden op deze manier gespreid over de vele premieplichtigen. De sociale verzekering biedt een planmatige voorzorg tegen bepaalde risico’s terwijl de opbrenging der middelen door premieplichtigen steunt op een vooraf – in de regel bij of krachtens wet – vastgestelde rekenkundige grondslag. Daarnaast worden een aantal regelingen gefinancierd met algemene middelen. Uitkeringen worden bekostigd via premie geheven door de uitvoeringsinstellingen en de Rijksbelastingdienst.

2 C.A. de Kam e.a., Kluwerschets van de leer van de sociale zekerheid, Deventer 1989, p. 38, 46, 50–51.

Er wordt inkomensbescherming geboden, gericht op risico’s zoals arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderdom, overlijden, tegemoetkoming in de kosten van het verzorgen en onderhouden van kinderen, ziekte en gebrek en behoeftigheid.

Sociale verzekeringen worden onderscheiden in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen. Die verschillen zijn toegespitst op de personele werkingssfeer, het uitkeringsniveau, de financiering en de uitvoering van de verzekeringen. Iedereen die in Nederland woont of op een of andere manier betrokken is bij het Nederlandse arbeidsproces, wordt tot de doelgroep van de volksverzekeringen gerekend. Werknemersverzekeringen daarentegen zijn bestemd voor een specifieke categorie van personen, namelijk degenen die in Nederland een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking vervullen. Het uitkeringsniveau is per verzekering verschillend.

De centrale overheid is met name betrokken bij het voorbereiden en vastleggen van wet- en regelgeving, waarin onderdelen als het recht op uitkering en de uitvoering zijn neergelegd. De uitvoering is in handen van organen die een zekere zelfstandigheid innemen ten opzichte van de rijksoverheid, ook al voeren zij een overheidstaak uit. Voor de werknemersverzekeringen zijn dit het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en het Centrale Orgaan voor Werk en Inkomen. Voor de volksverzekeringen is dit de Sociale Verzekeringsbank. De toezichthoudende instantie is sinds 1 januari 2002 de Inspectie Werk en Inkomen, daarvoor werd toezicht gehouden door het College van toezicht sociale verzekeringen (1995–2001).

Ook de overheidsbemoeienis met de aanvullende pensioenen wordt tot de sociale zekerheid gerekend. De voornaamste taken in deze zijn de regelgeving en het toezicht. Op dit deelterrein zijn als belangrijkste wetten tot stand gekomen de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW, 1952), de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet Bpf 2000, 2000) en de Wet betreffende verplichte deelneming aan een beroepspensioenregeling (Wet Bpr, 1972). Het toezichthoudende orgaan is per 1 januari 2001 de Pensioen- en Verzekeringskamer, gevestigd in Apeldoorn.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Sociale Verzekeringen periode [1940] 1997-2003 (Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
14-01-2006
BWB-id
BWBR0018881
Versie
2006-01-14_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl