wetzoeker

Subsidieregeling publieke gezondheid

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
31-08-2026
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
BWB-id
BWBR0018743
Versie
2026-08-31_0
SHA-256 bron
3400d6b6186b9771468c77e3fda45a7dc5d2482b5dd4183eaf802e799f6d006b

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (129)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9
  11. Artikel 10
  12. Artikel 11
  13. Artikel 12
  14. Artikel 13
  15. Artikel 14
  16. Artikel 15
  17. Artikel 16
  18. Artikel 17
  19. Artikel 18
  20. Artikel 19
  21. Artikel 20
  22. Artikel 20a
  23. Artikel 21
  24. Artikel 22
  25. Artikel 23
  26. Artikel 24
  27. Artikel 25
  28. Artikel 26
  29. Artikel 27
  30. Artikel 28
  31. Artikel 29
  32. Artikel 30
  33. Artikel 31
  34. Artikel 32
  35. Artikel 33
  36. Artikel 34
  37. Artikel 35
  38. Artikel 36
  39. Artikel 37
  40. Artikel 38
  41. Artikel 39
  42. Artikel 40
  43. Artikel 41
  44. Artikel 42
  45. Artikel 43
  46. Artikel 44
  47. Artikel 45
  48. Artikel 46
  49. Artikel 46a
  50. Artikel 47
  51. Artikel 47a
  52. Artikel 48
  53. Artikel 49
  54. Artikel 50
  55. Artikel 51
  56. Artikel 52
  57. Artikel 52a
  58. Artikel 52b
  59. Artikel 53
  60. Artikel 54
  61. Artikel 55
  62. Artikel 56
  63. Artikel 57
  64. Artikel 58
  65. Artikel 59
  66. Artikel 59a
  67. Artikel 60
  68. Artikel 61
  69. Artikel 62
  70. Artikel 63
  71. Artikel 64
  72. Artikel 65
  73. Artikel 66
  74. Artikel 67
  75. Artikel 67a
  76. Artikel 67b
  77. Artikel 67c
  78. Artikel 67d
  79. Artikel 67e
  80. Artikel 67f
  81. Artikel 67g
  82. Artikel 67h
  83. Artikel 67i
  84. Artikel 67j
  85. Artikel 67k
  86. Artikel 67ka
  87. Artikel 67l
  88. Artikel 67la
  89. Artikel 67m
  90. Artikel 67n
  91. Artikel 67o
  92. Artikel 67p
  93. Artikel 67q
  94. Artikel 67r
  95. Artikel 67s
  96. Artikel 67t
  97. Artikel 67u
  98. Artikel 67v
  99. Artikel 67w
  100. Artikel 72
  101. Artikel 73
  102. Artikel 74
  103. Artikel 76**
  104. Artikel 75a
  105. Artikel 75b
  106. Artikel 75c
  107. Artikel 75d
  108. Artikel 75e
  109. Artikel 75f
  110. Artikel 75g
  111. Artikel 75h
  112. Artikel 75i
  113. Artikel 75j
  114. Artikel 75k
  115. Artikel 75l
  116. Artikel 75m
  117. Artikel 75n
  118. Artikel 75o
  119. Artikel 75p
  120. Artikel 75q
  121. Artikel 75r
  122. Artikel 75s
  123. Artikel 75t
  124. Artikel 75u
  125. Artikel 75v
  126. Artikel 76
  127. Artikel 77
  128. Artikel 78
  129. Artikel 79

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 1 — Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;

c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling voor de kosten van haar structurele activiteiten, of een gedeelte van die kosten;

d. accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

e. projectsubsidie: een subsidie voor activiteiten aan een instelling die anders dan als instellingssubsidie wordt verstrekt;

f. uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 1 — Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 1a

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 1 — Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in Hoofdstuk II.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 1 — Begrippen en algemene bepalingen

Artikel 3

1 Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden bereikt;

b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte aan subsidie heeft aangetoond; en

c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.

3 Het tweede lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 2 — Berekeningswijze

Artikel 4

Een subsidie of een uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt, bestaat uit een door de minister vast te stellen bedrag voor overeenkomstig een door de minister goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 2 — Berekeningswijze

Artikel 5

Baten en lasten die door middel van interne doorberekeningen worden toegerekend, worden bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voorzover hierin lasten zijn begrepen van materiële vaste activa, worden deze lasten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 2 — Berekeningswijze

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 3 — Berekeningswijze projectsubsidies

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 4 — Modellen en formulieren

Artikel 8

De minister kan de volgende modellen en formulieren vaststellen:

a. een formulier voor de aanvraag van subsidie;

b. een model voor de begroting;

c. een model voor het activiteitenplan;

d. een model voor het activiteitenverslag;

e. een model controleverklaring;

f. een model voor het rapport feitelijke bevindingen;

g. een model assurancerapport;

h. een formulier voor de aanvraag van de vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 5 — Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel 9

1 De instelling die voor haar activiteiten of een gedeelte daarvan in een jaar een instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk 13 weken vóór de aanvang van het desbetreffende jaar een subsidieaanvraag in. De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting en gaat, indien de liquiditeitsbehoefte niet regelmatig gespreid is over het jaar, vergezeld van een liquiditeitsprognose.

2 In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de instelling met de activiteiten nastreeft, op welke wijze zij zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd.

3 De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten van dat jaar. De begroting maakt onderscheid tussen personele en materiële middelen. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en van het niveau van de kosten van de arbeidsvoorwaarden op het moment van indiening van de aanvraag. In geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel van de instelling.

4 De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.

5 De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 5 — Aanvraag van een instellingssubsidie

Artikel 10

1 Bij de aanvraag van een instellingssubsidie door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden tevens overgelegd:

a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;

b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het geldende openbaar register blijkt;

c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag; en

d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.

2 Voorzover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

3 Overlegging van de in het eerste lid bedoelde afschriften kan achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan de minister bekend zijn.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 6 — Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 6 — Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 6 — Aanvraag van een projectsubsidie

Artikel 13

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 7 — Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 14

De minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 7 — Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 15

1 De minister kan bij het besluit tot verlening van een instellingssubsidie ambtshalve tevens voorschotten verlenen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de liquiditeitsbehoefte. Indien de subsidieaanvraag te laat wordt ingediend en de minister de aanvraag desondanks in behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.

2 De minister verstrekt, indien de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid, de volgende voorschotten op een verleende instellingssubsidie: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%, november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende jaar verleende bedrag.

3 Indien de minister voorschotten verstrekt voordat hij de beschikking tot verlening van een instellingssubsidie heeft gegeven, worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, tot de datum van subsidieverlening, toegepast op het voor het voorgaande jaar verleende bedrag, in voorkomende gevallen bijgesteld overeenkomstig door de minister gegeven beschikkingen.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 7 — Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 17

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

a. de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd;

b. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en

c. de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 18

De subsidieontvanger zorgt er voorts voor:

a. dat de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd;

b. dat de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; en

c. dat van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 19

1 Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

2 De minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 20

1 De subsidieontvanger meldt meteen aan de minister als:

a. het tijdens de periode waarvoor de subsidie is verstrekt aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht,

b. het aannemelijk is geworden dat niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan of

c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

2 De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 20a

Vervallen

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 21

1 De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert zijn roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.

2 De ontvanger van een instellingssubsidie verzekert voor vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.

3 De minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 22

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het verslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de in het activiteitenplan voorgenomen activiteiten.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 23

1 Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.

2 Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de vastgestelde instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de vastgestelde instellingssubsidie en de, in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.

3 Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid, tenzij de minister anders bepaalt.

4 Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.

5 De in het eerste lid bedoelde reservering wordt uitsluitend besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.

6 De in het eerste lid bedoelde reservering bedraagt ten hoogste 10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de instellingssubsidie dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.

7 Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, gelet op de maximaal toegestane reservering niet gereserveerd kan worden, wordt het bij de vaststelling in mindering gebracht op de instellingsubsidie.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 24

Op de balans worden de voorzieningen, gesplitst naar hun aard, en de reservering opgenomen. In de toelichting op de balans worden de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen en reservering toegelicht.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 25

1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, behoudens schriftelijke toestemming van de minister, openbaarmaking van op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoek, delen of samenvattingen daarvan, niet plaats heeft binnen drie maanden nadat de voorgenomen openbaarmaking aan de minister is voorgelegd.

2 De minister is bevoegd om de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, desgewenst voorzien van commentaar, één of meermalen te vermenigvuldigen, openbaar te maken of openbaar te doen maken, met vermelding van de bron, zonder dat hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de minister onmiddellijk en kosteloos aan de minister of aan door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen beschikbaar worden gesteld.

4 Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie, kan de minister bepalen dat de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van de activiteit zijn geweest.

5 Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 1°, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.

6 De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 26

1 Aan de subsidie kunnen verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht worden verbonden.

2 De minister kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 27

1 De minister kan bepalen dat de subsidieontvanger in de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming is verschuldigd.

2 Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.

3 Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 28

1 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.

2 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.

3 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 29

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. De minister kan ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 30

1 De subsidieontvanger verstrekt aan de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien de instelling slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn.

2 Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door de minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.

3 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 8 — Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 31

Indien bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 28 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 9 — De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel 32

1 Binnen 22 weken na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de subsidievaststelling.

2 De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van:

a. het verslag, bedoeld in artikel 22;

b. de subsidiedeclaratie, bedoeld in artikel 33;

c. de jaarrekening; en

d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.

3 Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen.

4 De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het gaat om een subsidie aan een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.

5 De minister kan ontheffing en vrijstelling verlenen van de in het eerste lid genoemde aanvraagtermijn.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 9 — De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel 33

De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening toegelicht.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 9 — De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel 34

1 De afdelingen 2 tot en met 8 van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

2 De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften.

3 De minister kan bepalen dat bepalingen van de in het eerste lid bedoelde Titel of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 9 — De aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel 35

1 De jaarrekening en de subsidiedeclaratie zijn ieder afzonderlijk voorzien van een controleverklaring van een accountant. Indien de subsidie wordt vastgesteld op basis van prestatie-eenheden is de subsidiedeclaratie in afwijking van de eerste volzin voorzien van een assurancerapport.

2 Vervallen.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de minister in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte werkzaamheden. De daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.

4 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt.

Hoofdstuk I — Algemene subsidiebepalingen › § 10 — De vaststelling van de subsidie

Artikel 36

Binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 32, geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 1 — Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 1 — Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel 38

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 1 — Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel 39

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 1 — Opsporing erfelijke hypercholesterolemie

Artikel 40

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 41

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland;

b. screeningslaboratorium: een laboratorium dat in opdracht van een screeningsorganisatie vaginaal materiaal onderzoekt;

c. primair uitstrijkje: het naar aanleiding van een uitnodiging in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker in de huisartsenpraktijk afnemen van vaginaal materiaal van een vrouw, dat in een screeningslaboratorium wordt getest op hrHPV en waarop in geval van een positieve hrHPV-test vervolgens ook een cytologische beoordeling plaatsvindt;

d. hrHPV: hoogrisico Humaan Papilloma Virus;

e. hrHPV-test: een test op hoogrisico Humaan Papilloma Virus;

f. cytologische beoordeling: een microscopisch onderzoek van vaginaal materiaal op afwijkende cellen;

g. zelfafnameset (ZAS): een afnameset waarmee de vrouw in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker zelf vaginaal materiaal afneemt en opstuurt naar een screeningslaboratorium, dat dit test op hrHPV;

h. controle-uitstrijkje: het, indien het onderzoek van vaginaal materiaal afgenomen door een primair uitstrijkje of zelfafnameset resulteert in een positieve hrHPV-test en een negatieve cytologische beoordeling, in de huisartsenpraktijk twaalf maanden later afnemen van vaginaal materiaal van de desbetreffende vrouw, waarop in een screeningslaboratorium een cytologische beoordeling plaatsvindt;

i. uitstrijkje na hrHPV-positieve ZAS: het, indien het vaginaal materiaal uit een ZAS resulteert in een positieve hrHPV-test, in de huisartsenpraktijk afnemen van vaginaal materiaal van de desbetreffende vrouw, waarop in een screeningslaboratorium een cytologische beoordeling plaatsvindt;

j. overige organisatiekosten: de overige indirecte kosten die de screeningsorganisatie maakt in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker en die niet direct aan de onderzoeken bedoeld in onderdeel c, f, g, h en i te koppelen zijn.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 42

1 Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

2 Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verstrekt:

a. voor bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 30 tot en met 65 jaar alsmede transmannelijke en genderdiverse personen met een baarmoeder in de leeftijdsgroep van 30 tot en met 65 jaar die zich hebben aangemeld bij de screeningsorganisatie;

b. voor zover van de personen, bedoeld onder a, geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek;

c. voor zover de screeningsorganisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 47a.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 43

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 44

De screeningsorganisatie draagt er voor zorg dat de verhouding tussen de bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek betrokken partijen is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst, waarin ten minste zijn opgenomen de afbakening van het werkgebied, de organisatorische vormgeving en de daarbij behorende financiële afspraken.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 45

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 42, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

a. de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker;

b. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 46

1 In afwijking van artikel 4 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 42, voor het jaar 2026 en voor het jaar 2027 uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

(Qpu x Ppu) + (Qcpu x Pcpu) + (Qzas x Pzas) + (Qcuzm x Pcuzm) + (Quzas x Puzas) + (Qoo x Poo)

waarbij wordt verstaan onder:

Qpu. het aantal beoordeelde hrHPV-testen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie, waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw of aansluitende cytologische beoordeling;

Ppu. een bedrag van € 53,77 per beoordeelde hrHPV-test naar aanleiding van een primair uitstrijkje, waarvan € 21,53 voor laboratoriumonderzoek;

Qcpu. het aantal cytologische beoordelingen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar heeft plaatsgevonden in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pcpu. een bedrag van € 32,95 voor laboratoriumonderzoek per cytologische beoordeling naar aanleiding van een positieve hrHPV-test bij een primair uitstrijkje;

Qzas. het aantal zelfafnamesets dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld op hrHPV in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pzas. een bedrag van € 27,91 per beoordeelde ZAS op hrHPV, waarvan € 13,76 voor laboratoriumonderzoek;

Qcuzm. het aantal controle-uitstrijkjes dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Pcuzm. een bedrag van € 69,19 per beoordeeld controle-uitstrijkje, waarvan € 43,02 voor laboratoriumonderzoek;

Quzas. het aantal uitstrijkjes naar aanleiding van een hrHPV-positieve test van vaginaal materiaal verkregen door de vrouw met een zelfafnameset, dat in het desbetreffende jaar is beoordeeld in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw;

Puzas. een bedrag van € 67,88 per beoordeeld uitstrijkje na een hrHPV-positieve test van vaginaal materiaal uit een ZAS, waarvan € 43,02 voor laboratoriumonderzoek;

Qoo. overige organisatiekosten, berekend op basis van het totaal van het aantal in 2019 beoordeelde zelfafnamesets op hrHPV en het aantal beoordeelde hrHPV-testen dat, naar aanleiding van primaire uitstrijkjes, in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van de desbetreffende screeningsorganisatie, waarbij sprake is van een uitslag naar de desbetreffende vrouw of aansluitende cytologische beoordeling;

Poo. een bedrag van € 36,07 per het totaal van het aantal beoordeelde hrHPV-testen naar aanleiding van een primair uitstrijkje en het aantal beoordeelde zelfafnamesets op hrHPV.

2 Het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in het besluit tot verlening gecorrigeerd voor wat betreft de tarieven voor laboratoriumonderzoek, in verband met de in de praktijk door de screeningslaboratoria aan de screeningsorganisatie in rekening gebrachte tarieven voor laboratoriumonderzoek.

3 De screeningsorganisatie toont aan dat de te subsidiëren activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen en legt rekening en verantwoording af omtrent de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende kosten en opbrengsten.

4 Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 46a

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 47

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van de som van het aantal Qpu en Qzas, bedoeld in artikel 46, van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 2 — Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker

Artikel 47a

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker als bedoeld in artikel 42 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 48

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland;

b. onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker maken van een borstfoto door een laborant en beoordeling van deze foto door twee radiologen;

c. screeningseenheid: al dan niet mobiele accommodatie ingericht voor het maken van een borstfoto in het kader van een onderzoek.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 49

Voor de uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 50

Subsidie als bedoeld in artikel 49 wordt slechts verstrekt:

a. voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 75 jaar, alsmede transmannelijke en genderdiverse personen in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 75 jaar met borstweefsel die geen borst verwijderende operatie hebben ondergaan en zich hebben aangemeld bij de screeningsorganisatie in de leeftijdsgroep 50 tot en met 75 jaar;

b. voor zover van de personen, bedoeld onder a, geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek;

c. voor zover de screeningsorganisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 52b.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 51

1 In afwijking van artikel 4 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 49, voor het jaar 2026 en voor het jaar 2027 ten hoogste € 118,33 voor elk onderzoek dat in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker van de desbetreffende screeningsorganisatie.

2 De screeningsorganisatie toont aan dat de te subsidiëren activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen en legt rekening en verantwoording af omtrent de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende kosten en opbrengsten.

3 Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23 tot ten hoogste het bij de verlening genoemde bedrag.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 52

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 49, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

a. de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker;

b. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker ten behoeve van de proces- en effect-evaluatie;

c. een wijze van uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker die bijdraagt aan de versterking van de infrastructuur van de kankerscreening.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 52a

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar borstkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 3 — Bevolkingsonderzoek naar borstkanker

Artikel 52b

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar borstkanker als bedoeld in artikel 49 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 53

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. onderzoek: het in het kader van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker beoordelen van bloed in ontlasting door een laborant met eventuele doorverwijzing voor coloscopie voor aanvullend diagnostisch onderzoek;

b. screeningsorganisatie: Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 54

Voor de uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de screeningsorganisatie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 55

Subsidie als bedoeld in artikel 54 wordt slechts verstrekt:

a. voor onderzoek bij alle personen in de leeftijdsgroep 55 tot en met 75 jaar;

b. voor zover van de personen, bedoeld onder a, geen betalingen worden verlangd voor deelname aan het onderzoek;

c. voor zover de screeningsorganisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 59.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 56

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 54, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot:

a. de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker;

b. de verwijzing ten behoeve van nadere diagnostiek;

c. het vastleggen van gegevens over de uitnodigingen voor deelname aan en de uitslagen van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker en over de nadere diagnostiek naar darmkanker, een en ander ten behoeve van de proces- en effectevaluatie;

d. een wijze van uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker die bijdraagt aan de versterking van de infrastructuur van de kankerscreening.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 57

1 In afwijking van artikel 4 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 54, voor het jaar 2026 en voor het jaar 2027 ten hoogste € 20,93 voor elk onderzoek dat in het desbetreffende jaar is verricht in het kader van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker van de betreffende screeningsorganisatie.

2 De screeningsorganisatie toont aan dat de te subsidiëren activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen en legt rekening en verantwoording af omtrent de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende kosten en opbrengsten.

3 Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte bij de verlening is genoemd, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane reservering, bedoeld in artikel 23.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 58

Onverminderd artikel 20, meldt de screeningsorganisatie onverwijld schriftelijk aan de minister indien sprake is van een stijging of daling van het aantal onderzoeken naar darmkanker van meer dan 2% ten opzichte van de subsidieverlening.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 59

De uitvoering van een bevolkingsonderzoek naar darmkanker als bedoeld in artikel 54 wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 4 — Bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Artikel 59a

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 60

Voor de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 61

De subsidie, bedoeld in artikel 60, wordt verstrekt voor griepvaccinaties die in de periode van 1 september van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar worden toegediend door:

a. huisartsen aan:

1°. patiënten met afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;

2°. patiënten met een chronische stoornis van de hartfunctie;

3°. patiënten met diabetes mellitus;

4°. patiënten met chronische nierinsufficiëntie;

5°. patiënten die recent een beenmergtransplantatie hebben ondergaan;

6°. personen geïnfecteerd met hiv;

7°. kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar die langdurig salicylaten gebruiken;

8°. personen vanaf 60 jaar, inclusief personen die voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarvoor subsidie wordt verstrekt 60 jaar worden;

9°. personen met verminderde weerstand tegen infecties;

10°. personen met morbide obesitas en een body mass index van 40 of hoger;

11°. personen onder de 60 jaar met dementie;

12°. personen met cochleaire implantaten; of

13° personen met een verstandelijke beperking die niet verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen;

14°. personen die vanuit hun professie of vrijwilligerswerk een hoger risico lopen op blootstelling aan vogelgriep;

b. artsen aan personen als bedoeld onder a die verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 62

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 60, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daarop volgende jaar.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 63

In het boekjaar van 1 mei 2026 tot en met 30 april 2027 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 60, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

Qt x Pt + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qt. het aantal griepvaccins, bedoeld in artikel 61, onderdeel a, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt in het kader van het Nationaal Programma Grieppreventie wordt toegediend;

Pt. een bedrag van € 16,27;

U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 700.000.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 64

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 60, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van het Nationaal Programma Grieppreventie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 65

In afwijking van artikel 23 bedraagt het totaal van de in artikel 23, eerste lid, bedoelde reservering van de overschotten van de instellingssubsidies, bedoeld in artikel 60 en 67a, ten hoogste € 275.000.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 66

De stichting, genoemd in artikel 60, draagt er zorg voor dat artsen, bedoeld in artikel 61:

a. registreren tot welke risicogroepen, bedoeld in artikel 61, onderdeel a, sub 1° tot en met 9°, gevaccineerden behoren;

b. gedurende ten minste vijf jaren de registratie, bedoeld onder a, bewaren.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5 — Nationaal programma grieppreventie

Artikel 67

De stichting, genoemd in artikel 60:

a. verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over het Nationaal Programma Grieppreventie en aan de evaluatie van het Nationaal Programma Grieppreventie, die door de minister of door andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;

b. draagt er zorg voor dat de huisartsen die deelnemen aan de uitvoering van het Nationaal Programma Grieppreventie, zich verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld onder a.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67a

Voor de uitvoering van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte kan de minister een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67b

De subsidie, bedoeld in artikel 67a, wordt verstrekt voor vaccinaties tegen de pneumokokkenziekte die in de periode van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar worden toegediend door:

a. huisartsen aan personen geboren in de periode van 1948 tot en met 1952 en personen geboren in 1966;

b. artsen aan personen als bedoeld onder a die verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67c

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 67a, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67d

1 Met ingang van het boekjaar van 1 mei 2026 tot en met 30 april 2027 bestaat de subsidie, bedoeld in artikel 67a, uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

Qt x Pt + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qt. het aantal toegediende vaccins, bedoeld in artikel 67b, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt in het kader van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte;

Pt. een bedrag van € 25,51;

U. het verschil tussen de overige baten en lasten van de uitvoering van de vaccinatie tegen pneumokokken, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 330.000.

2 Vervallen.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67e

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67f

Bij de verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 67a, kan de minister verplichtingen opleggen met betrekking tot de kwaliteit van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67g

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67h

De stichting, genoemd in artikel 67a, draagt er zorg voor dat huisartsen, bedoeld in artikel 67b, de gevaccineerden registreren en deze registratie gedurende ten minste twintig jaren bewaren.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5a — Vaccinatie tegen pneumokokken

Artikel 67i

De stichting, genoemd in artikel 67a:

a. verleent medewerking aan de publieksvoorlichting over de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte en aan de evaluatie hiervan, die door de minister of door andere organisaties in opdracht van de minister worden uitgevoerd;

b. draagt er zorg voor dat huisartsen die deelnemen aan de uitvoering van de vaccinatie tegen de pneumokokkenziekte, zich verplichten hun medewerking te verlenen aan de evaluatie bedoeld onder a.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67j

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67k

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67ka

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67l

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67la

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67m

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67n

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67o

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5b — Vaccinatie tegen het coronavirus

Artikel 67p

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67q

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67r

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67s

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67t

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67u

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67v

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 5c — Vaccinatie tegen HPV voor 18-26 jarigen

Artikel 67w

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.2 — Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Artikel 72

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.2 — Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Artikel 73

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.2 — Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Artikel 74

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.2 — Aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie

Artikel 76**

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.3

Artikel 75a

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75b

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75c

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75d

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75e

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75f

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75g

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75h

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.4

Artikel 75i

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75j

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75k

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75l

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75m

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75n

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75o

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 6 — Seksuele gezondheid › § 6.5 — Seksualiteitshulpverlening en coördinatie

Artikel 75p

Vervallen

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75q

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. medicamenteuze zwangerschapsafbreking: medicamenteuze afbreking van de zwangerschap die voldoet aan artikel 6a van de Wet afbreking zwangerschap;

b. terhandstelling van medicatie voor zwangerschapsafbreking: de terhandstelling van medicatie voor de zwangerschapsafbreking door apothekers, inclusief het indienen van de bijbehorende declaratie bij de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie;

c. voorschrijvend consult voor medicamenteuze zwangerschapsafbreking: het consult waarin de medicatie voor de zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven door een huisarts als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Wet afbreking zwangerschap, inclusief de bijbehorende verplichte registratie bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het indienen van de declaratie bij de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75r

De minister kan jaarlijks een instellingssubsidie verstrekken aan de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie te Utrecht voor:

a. het verstrekken van vergoedingen aan huisartsen voor de voorschrijvende consulten voor medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen aan personen die overeenkomstig de Wet langdurige zorg zijn verzekerd;

b. het verstrekken van vergoedingen aan apothekers voor terhandstellingen van medicatie voor zwangerschapsafbreking aan personen die overeenkomstig de Wet langdurige zorg zijn verzekerd; en

c. ondersteunende activiteiten ten behoeve van het zorgdragen voor het verstrekken van de vergoedingen bedoeld onder a en b.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75s

In afwijking van artikel 19, eerste lid, loopt het boekjaar voor de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, van 1 mei van enig jaar tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75t

In afwijking van artikel 4 wordt de hoogte van de te verlenen subsidie, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, per boekjaar berekend overeenkomstig de volgende formule:

(Qh * Ph) + (Qa1 * Pa1) + (Qa2 * Pa2) + (Qa3 * Pa3) + U

waarbij wordt verstaan onder:

Qh. het verwachte aantal declaraties van voorschrijvende consulten voor medicamenteuze zwangerschapsafbreking dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend wordt ingediend bij de stichting;

Ph. een bedrag van € 135,20 per voorschrijvend consult;

Qa1. het verwachte aantal declaraties van terhandstellingen van mifepriston en vier tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend, wordt ingediend bij de stichting;

Pa1. een bedrag van € 79,05 per terhandstelling van mifepriston en vier tabletten misoprostol;

Qa2. het verwachte aantal terhandstellingen van vier tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend wordt ingediend bij de stichting;

Pa2. een bedrag van € 24,00 per terhandstelling van vier tabletten misoprostol;

Qa3. het verwachte aantal terhandstellingen van mifepriston en acht tabletten misoprostol dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verleend, wordt ingediend bij de stichting;

Pa3. een bedrag van € 87,05 per terhandstelling van mifepriston en acht tabletten misoprostol;

U. de verwachte kosten van de ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onderdeel c, voor zover opgenomen in een door de minister goedgekeurde begroting, tot ten hoogste € 150.000.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75u

De minister kan verplichtingen opleggen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onder c.

Hoofdstuk II — Specifieke subsidiebepalingen › § 7 — Medicamenteuze zwangerschapsafbreking via de huisarts

Artikel 75v

Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte kosten in het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend, met betrekking tot:

a. het vergoeden van de declaraties van voorschrijvende consulten, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onder a;

b. het vergoeden van de declaraties van de terhandstellingen, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onder b; en

c. de ondersteunende activiteiten, bedoeld in artikel 75r, eerste lid, onder c tot ten hoogste € 150.000.

Hoofdstuk III — Slotbepalingen

Artikel 76

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk III — Slotbepalingen

Artikel 77

Vervallen

Hoofdstuk III — Slotbepalingen

Artikel 78

1 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028.

2 Deze regeling blijft van toepassing op subsidies en uitkeringen die op grond van deze regeling zijn verleend.

Hoofdstuk III — Slotbepalingen

Artikel 79

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling publieke gezondheid.