Het beleidsterrein Energiebeleid (deel 1) Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
Algemeen
Na de Tweede Wereldoorlog probeerde het Rijk zo snel mogelijk de productie van steenkool, gas en elektriciteit weer op gang te krijgen. Gezien het nationale belang van gas- en elektriciteitsproductie achtte de centrale overheid het tijd om de greep op deze nutsectoren te verstevigen.
In de Staatsalmanak van 1952 werd voor het eerst melding gemaakt van een begin van een overkoepelend beleid ‘Het uitwerken van de richtlijnen ter coördinatie van het in nationaal verband te voeren beleid op het gebied van het energiebeleid’. Verder was er binnen het Directoraat-Generaal een Economische Afdeling met onder meer als taak: ‘assistentie bij het algemeen beleid’ als taak.
De doelstelling van de Rijksoverheid op het taakveld algemene energiepolitiek tot aan de oliecrisis van 1973 is dan ook te omschrijven als ondersteunend. Pas na de oliecrisis werd er een duidelijke, beleidsvormende en coördinerende doelstelling opgesteld. Na 1973 probeerde de overheid haar greep op de elektriciteitssector te verstevigen.
De belangrijkste handelingen betreffende het algemene energiebeleid richten zich op het behandelen en coördineren van de hoofdlijnen van het Nederlandse energiebeleid. Dit geldt voor olie, gas, kernenergie, elektriciteit, energiebesparing en duurzame energie. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het internationale energiebeleid. Ook wordt het Nederlandse optreden voor wat betreft het beleidsterrein energiebeleid bij de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de Europese Commissie voor Europa en de International Energy Agency (IEA) gecoördineerd.
Elektriciteit
De elektriciteitsvoorziening in Nederland is in 1886 begonnen met de in bedrijfstelling van de eerste elektriciteitsfabriek te Kinderdijk. Rond de eeuwwisseling gingen de eerste gemeenten zich met elektriciteitsvoorziening bezighouden en successievelijk zijn alle elektriciteitsbedrijven in gemeentelijke en provinciale handen overgegaan. In 1920 was de elektriciteitsvoorziening nogal versnipperd en waren er zo’n 550 elektriciteitsbedrijven. Dit aantal is teruggelopen tot 38 bedrijven in 1991.
De redenen voor deze teruggang in het aantal bedrijven zijn:
– technische ontwikkelingen die leidden tot schaalvergroting in de productie
– vergroting van de betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening en kostenbesparingen door coördinatie bij de bouw van centrales en onderlinge koppeling van de centrales
– de toenemende rol van de rijksoverheid die via wet- en regelgeving streeft naar een landelijk elektriciteitsproductiesysteem.
In 1958 en in 1970 verschenen achtereenvolgens rapporten van de commissies Hupkes en Rietveld waarbij aangedrongen werd op verticale integratie i.e. productie en distributie in één hand.
Op basis van de adviezen van bovengenoemde commissies vermindert vanaf de jaren zeventig de consensus tussen de Rijksoverheid en de elektriciteitssector over het te voeren beleid. Vanuit overwegingen van efficiency vindt de Rijksoverheid een meer geconcentreerde productie en distributie van elektriciteit gewenst. Dit botst met de belangen van afzonderlijke productie- en distributiebedrijven. De greep op de elektriciteitssector wordt door Economische Zaken versterkt door het afsluiten van een overeenkomst met de SEP in 1975. Hierin verplicht de SEP zich haar elektriciteitsplan aan de Minister van Economische Zaken ter goedkeuring voor te leggen. Via een convenant tussen de Minister van Economische Zaken en de sector in 1988 wordt geregeld dat de elektriciteitsdistributiesector gesaneerd zal worden. Het streven is het aantal distributiebedrijven in 1990 terug te brengen tot 58.
Anno 1995 zijn er nog vier productiebedrijven EPON, EPZ, Economische Zaken en UNA, deze werken samen in en zijn aandeelhouders van de NV Samenwerkende Electriciteits Produktie-bedrijven (SEP).
De SEP voert in samenwerking met de productiebedrijven de volgende taken uit:
– planning van vervanging en uitbreiding van het productiepark en het hoogspanningskoppelnet
– import en export van elektriciteit
– besturing en bewaking van de productie en het transport van elektriciteit
– de dagelijkse optimalisatie van de productie
– pooling van de productiekosten.
Iedere twee jaar stellen SEP en de vier productiebedrijven een Elektriciteitsplan op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken.
De distributiebedrijven verzorgen de inkoop, distributie en levering van elektriciteit. Daarnaast kunnen zij zelf elektriciteit produceren door middel van decentraal vermogen. Deze bedrijven zijn alle lid van EnergieNed, tot 1992 VEEN, de overkoepelende organisatie van elektriciteit, gas en warmte distribuerende bedrijven in Nederland.
Samenwerking en overleg vindt plaats over o.a. (inkoop)tarieven, leverings- en aansluitvoorwaarden, milieu en veiligheid.
In de Derde Energienota wordt ingegaan op de toenemende liberalisering en internationalisering van energiemarkten. De elektriciteitsproducenten zullen zich in toenemende mate richten op wat de klant vraagt. (Demand-side management)
De eind juni door de Eerste Kamer aanvaarde Elektriciteitswet 1998 is op 1 augustus 1998 gedeeltelijk in werking getreden. De nieuwe wet, die uiteindelijk de Elektriciteitswet uit 1989 zal gaan vervangen, beoogt individuele vragers en aanbieders op de elektriciteitsmarkt geleidelijk meer keuze te geven, op voorwaarde dat de elektriciteitsvoorziening even betrouwbaar, duurzaam en doelmatig blijft functioneren als nu het geval is. De wet geeft daarmee uitvoering aan de Europese richtlijn uit 1996.
Kernenergie
In 1939 verwierf de Nederlandse regering enige tonnen uraniumconcentraat waarmee de eerste aanzet voor kernenergie werd gegeven. Op grond hiervan was het mogelijk direct na de Tweede Wereldoorlog een samenwerkingsverband aan te gaan met Noorwegen. Dat land beschikte namelijk over het vereiste zwaar water om te kunnen werken met natuurlijk uranium. Dit leidde tot de gezamenlijke bouw van een kernreactor in Noorwegen die in 1951 gereed kwam. Met de daar opgedane ervaring besloot de Nederlandse regering ook in Nederland een reactor te bouwen. Nog niet duidelijk was welk type reactor gebouwd zou worden.
In 1955 werd het Reactorcentrum Nederland (RCN) opgericht waarin onder meer de elektriciteitswereld via de KEMA participeerde. Er werd besloten om in Petten een Hoge Fluxreactor (HFR) als onderzoeksreactor te bouwen. Daarnaast werd in dat jaar de interdepartementale Commissie voor Atoomenergie opgericht; deze commissie kreeg als taak het adviseren van de regering over de ontwikkeling van de vreedzame toepassing van kernenergie en richtlijnen te ontwerpen voor de regeringsvertegenwoordigers in het bestuur van het Reactorcentrum Nederland. Het secretariaat van deze commissie berustte bij een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken. Tot dan waren diverse Directoraten-generaal binnen het ministerie belast met diverse aspecten van kernenergie. Op 15 maart 1956 werd de Directie Kernenergie ingesteld die belast werd met ‘de coördinatie en de behandeling van alle vraagstukken betrekking hebbende op het te voeren beleid op het gebied van de kernsplitsing’. In hetzelfde jaar werd in de Verenigde Staten voor het RCN een zogenaamde hoge neutronenfluxreactor besteld. De HFR te Petten werd in 1961 overgedragen aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) aangezien het in het Euratomverdrag bedoelde Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) aldaar gevestigd zou worden. Tot 1972 maakte de HFR deel uit van het Euratomprogramma: de andere EG-lidstaten hadden inmiddels hun eigen onderzoeksreactoren en waren derhalve niet langer bereid een bijdrage te leveren. In 1983 werd (voorlopig) het laatste meerjarenplan voor de HFR vastgesteld. De Europese Commissie (20%), de Bondsrepubliek Duitsland (40%) en Nederland (40%) financierden het programma. De elektriciteitsbedrijven besloten vervolgens tot de bouw van kerncentrales in Dodewaard en Borssele.
- Regeling
- Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 15-01-2006
- BWB-id
- BWBR0018572
- Versie
- 2006-01-15_0