wetzoeker

Overzicht actoren (deel 1) Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Ministerie van Economische Zaken

Vanaf 1946 (zie koninklijk besluit van 18 juli 1946) berust de zorg voor de energievoorziening bij de Minister van Economische Zaken (van juni 1945 tot juli 1946 ‘Minister van Handel en Nijverheid’ geheten). Tot eind 1964 is er echter geen eenheid van organisatie ten aanzien van de diverse energiedragers. Gas, elektriciteit en atoomenergie ressorteren onder het Directoraat-Generaal voor de Industrialisatie en Energievoorziening. Kolen en olie vallen onder Directoraat-Generaal voor handel en nijverheid. De directie mijnwezen valt rechtstreeks onder de SG van het ministerie. Door de oprichting van het Directoraat-Generaal voor de Energievoorziening – de naam veranderde in 1979 in Directoraat-Generaal voor Energie – komt er een eind aan deze organisatorische versnippering.

In 1965 en 1975 zijn er op het terrein van de delfstoffenvoorziening nog drie directies: voor Gasvoorziening, Mijnwezen en Kolen en Aardolie. Tien jaar later in 1985, zijn er voor aardolie en gas twee directies, is Mijnwezen een hoofdafdeling van de directie Algemeen Energiebeleid en Mijnwezen een hoofdafdeling van de directie Energiebesparing en Diversificatie geworden. In 1990 is Kolen tot de hoofdafdeling Industrie, Kolen van de directie Energiebesparing en Duurzame Energie. In 1993 zijn de directies Olie, Gas en Mijnwezen, nu als hoofdafdelingen, samengevoegd tot de directie Olie en Gas. Kolen is nu een afdeling van de hoofdafdeling Kolen en Kernenergie van de directie Elektriciteit. De situatie is in 1997 onveranderd.

De directie Olie en Gas (EOG) van DGE heeft drie hoofdtaken:

1. het bevorderen van een voor de Nederlandse samenleving optimale ontwikkeling en exploitatie van de nationale energiebronnen en een verantwoord gebruik van de diepe ondergrond;

2. het zorgen voor een betaalbare, betrouwbare en schone olie- en gasvoorziening;

3. het stellen van zodanige randvoorwaarden, dat de aardolie-industrie en -⁠handel zich in internationale concurrentie kan ontplooien.

De directie heeft vier hoofdafdelingen: Gasbeleid, Baten en Economie, Mijnwezen en Oliebeleid. Gasbeleid is o.m. verantwoordelijk voor het inkoop- en exportbeleid, het binnenlands gasbeleid (gasprijzen b.v.), het ‘cross-country’transport van gas en voor de Nederlandse inbreng in de EU.

Baten en Economie behartigt de financiële belangen van de staat inzake gaswinning (aardgasbaten) en de voeding van het Fonds Economische Structuurversterking. Mijnwezen schept de voorwaarden voor de opsporing en exploitatie van delfstoffen (vergunningen, bescherming, bodemschatten) en houdt toezicht op de naleving van alle voorschriften op het gebied van milieu, arbeid, veiligheid en gezondheid(staatstoezicht).

Oliebeleid is verantwoordelijk voor de ordening van de binnenlandse aardoliemarkt, het stellen van randvoorwaarden voor de productie (raffinage) en afzet van aardolieproducten, een het aardoliebeleid.

De hoofdafdeling Kolen en Kernenergie van de directie Elektriciteit is verantwoordelijk voor de kolenvoorziening, het kolenonderzoek en het stimuleren van technologie voor de vermindering van de kooldioxide-uitstoot.

De stafdirectie Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden (WJA) adviseert de minister, de beleidsdirecties en de uitvoerende organisaties over juridische aangelegenheden.

Voor de toeleverende metaalindustrie, in het bijzonder de off-shore industrie, is Economische Zaken tevens vanuit het industriebeleid (DGI: het Directoraat-Generaal voor de Industrie, twg. Industrie en Diensten) betrokken. Aanspreekpunt is de directie Metaalverwerkende Industrie, twg. Fabricage en Zware Industrie.

Inspecteur-generaal van het mijnwezen, staatstoezicht op de mijnen

De Inspecteur-Generaal van de Mijnen is het hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen. Bevoegdheden en taken van de Staatstoezicht op de Mijnen en van de IGM zijn in artikel 9 van de Mijnwet 1903, hoofdstuk XV en XVIII van resp. het Mijnreglement 1039 en 1964, en in de instructie van de Minister van Economische Zaken aan de IGM geregeld. Ingevolge art. 2 van de instructie van de minister van 15 januari 1965, is de IGM bovendien bevoegd namens de Minister van Economische Zaken de ministeriële regelingen ter uitvoering van het Mijnreglement en de uitvoeringsbesluiten (vergunningen en ontheffingen) af te doen. Onder de instructie van de IGM vallen eveneens de arbeider-controleurs.

Ingesteld bij de Mijnwet van 1810 als de ‘Administration des Mines’, is het Staatstoezicht op de Mijnen een van de oudste rijksdiensten. De Staatstoezicht op de Mijnen was oorspronkelijk gevestigd in Heerlen voor het toezicht op de steenkolenmijnbouw en de mergelgroeven. Vanaf de jaren vijftig richt de Staatstoezicht op de Mijnen zich steeds meer op de olie- en gaswinning. Staatstoezicht op de Mijnen is sedert 1967 gevestigd in Rijswijk. De kerntaken van de Staatstoezicht op de Mijnen omvatten:

1. het toezicht houden op de naleving van de voorschriften die bij de uitvoering van mijnbouwactiviteiten op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu in acht genomen moeten worden; dit impliceert ook een opsporingsbevoegdheid van overtredingen, onder meer omschreven in de Wet Economische Delicten;

2. Het verlenen van medewerking aan de uitvoering van de Mijnreglementen, door het (doen) verlenen van ontheffingen, goedkeuringen, verklaringen van geen bezwaar en andere beschikkingen; gezien het gestelde onder 1 impliceert dit ook de bevoegdheid tot het intrekken van deze beschikkingen;

3. Het mede voorbereiden van wet- en regelgeving en geven van beleidsadviezen op het terrein van de veiligheid, gezondheid en milieu en op het terrein van specifiek mijnbouwkundige zaken.

Mijnindustrieraad

De Mijnindustrieraad (MIR) werd bij koninklijk besluit van 20 juni 1945, Stb. F 99, het zgn. Mijnstatuut 1945, opgericht. De MIR heeft rechtspersoonlijkheid. De MIR fungeert als publiekrechtelijk samenwerkingsorgaan van werkgevers en werknemers in de steenkolenindustrie, en heeft onder toezicht van de Minister van Economische Zaken bestuurlijke en verordende bevoegdheden, vooral waar het sociale aangelegenheden betreft. Na zijn opheffing fungeert de Mijnindustrieraad per 1 januari 1955 als bestuur van het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie.

Mijnraad

De Mijnraad, opgericht in 1893 en te ’s-Gravenhage gevestigd (van 1956 tot 1967 was de Mijnraad gevestigd te Heerlen), is een externe adviesraad ex art. 79 Grondwet. Tot 1967 adviseerde de raad over mijnbouwaangelegenheden in het algemeen, en hield zij tevens toezicht op het functioneren van de Staatsmijnen. Na de privatisering van de Staatsmijnen in 1966 beperkte de taak van de Mijnraad zich tot het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake aangelegenheden de opsporing en winning van delfstoffen betreffende (wet van 1 mei 1970, stb. 1970, 196). Het zwaartepunt hierbij ligt op de toetsing van de vergunning- en concessieverlening op mijnbouwgebied. Ingevolge de Herzieningswet adviesstelsel, Stb. 1996, 377, verloor de Mijnraad zijn beleidsadviestaak.

Algemene Energieraad

Kleine commissies

– commissie van advies inzake van Boorwerken te vrijwaren kwetsbare gebieden

– Peelcommissie

– Studiecommissie voor de steenkolenmijnindustrie

– Commissie Frowein

– Staatscommissie Couvée

– Staatscommissie Rutten

– Commissie Dozy

– Commissie van Engelshoven

– Programma adviescommissie Rijks Geologische Dienst

– En vele anderen

Planologische werkcommissie

De planologische Werkcommissie (PWC) is een interdepartementale commissie, die bij beschikking nr. WJA 664/55 van 31 januari 1964 van de minster van Economische Zaken werd ingesteld.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
15-01-2006
BWB-id
BWBR0018572
Versie
2006-01-15_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl