wetzoeker

Subsidieregeling Kenniscentrum Grote Steden

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
25-08-2005
Rechtsgebied
Omgevingsrecht, Ruimtelijke ordening en milieu
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0018429
Versie
2005-08-25_0
SHA-256 bron
70448cc93358091ebbf48c3414d9711d46e99dce35bae700b48747359cb5cc9f

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (11)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11

§ 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister: de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;

b. het Kenniscentrum: Stichting Kenniscentrum Grotestedenbeleid;

c. de overige betrokken departementen: de departementen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Verkeer en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Justitie;

d. de Steden: de gemeenten genoemd in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid;

e. het basisprogramma Grote Steden: het door het Rijk en de Steden gezamenlijk te subsidiëren programma voor een bepaald kalenderjaar, waarin de aard, de omvang en de doelstelling van de activiteiten worden beschreven.

§ 1 — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 De Minister verstrekt jaarlijks een subsidie aan het Kenniscentrum overeenkomstig deze regeling ten behoeve van het uitvoeren van het door het Kenniscentrum opgestelde basisprogramma Grote Steden.

2 De minister keurt het basisprogramma Grote Steden goed na overleg met de overige betrokken departementen en de Steden.

§ 2 — De subsidieverlening en vaststelling

Artikel 3

1 Het Kenniscentrum dient de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende jaar uiterlijk in op 15 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

2 De aanvraag gaat vergezeld van:

a. het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd;

b. het basisprogramma Grote Steden;

c. een raming van de kosten en de baten (begroting).

§ 2 — De subsidieverlening en vaststelling

Artikel 4

1 De minister beoordeelt voor 1 januari de subsidieaanvraag, mede aan de hand van de in artikel 3, tweede lid, genoemde gegevens.

2 Naast de gronden, genoemd in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de Minister, na overleg met de overige betrokken departementen en de Steden, de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren indien de beoordeling van het basisprogramma Grote Steden leidt tot de bevinding dat het programma niet in overeenstemming is met de vereisten van deze regeling.

3 De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

§ 2 — De subsidieverlening en vaststelling

Artikel 5

1 De minister verleent voorschotten per kalenderjaar.

2 Het totaal van de voorschotten in een kalenderjaar bedraagt 100 procent van het te verlenen subsidiebedrag.

3 De voorschotten worden als volgt verstrekt:

a. 50% van het totaalbedrag ultimo februari van het kalenderjaar;

b. 50% van het totaalbedrag ultimo juni van het kalenderjaar.

4 De minister kan een voorschot een maand eerder of later verlenen, nadat het Kenniscentrum hiervan in kennis is gesteld.

§ 2 — De subsidieverlening en vaststelling

Artikel 6

1 De aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 juni van het jaar na het kalenderjaar ingediend bij de minister.

2 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

a. een schriftelijke verantwoording omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten ingevolge het desbetreffende basisprogramma Grote Steden, afgezet tegen de realisatie van de geraamde kosten en baten ingevolge artikel 3, tweede lid, onder c;

b. de op het kalenderjaar betrekking hebbende jaarrekening, bedoeld in artikel 361, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek;

c. het op het kalenderjaar betrekking hebbende jaarverslag, bedoeld in artikel 391, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, en

d. de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 4:78, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3 De subsidievaststelling geschiedt uiterlijk op 1 september, na overleg met de overige betrokken departementen en de Steden.

§ 3 — De verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 7

1 De uitvoering van het basisprogramma Grote Steden start binnen het jaar waarvoor de subsidie is verleend.

2 Indien het Kenniscentrum een wijziging aanbrengt in de doelstelling, looptijd of financiering van het basisprogramma Grote Steden dan wel afziet van de in het basisprogramma Grote Steden vermelde activiteiten, deelt het Kenniscentrum dit onverwijld schriftelijk mede aan de minister.

§ 3 — De verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 8

Het Kenniscentrum verschaft de minister op diens verzoek te allen tijde inlichtingen omtrent de voortgang en de resultaten van de activiteiten ingevolge het basisprogramma Grote Steden.

§ 3 — De verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 9

1 Voor de activiteiten van het Kenniscentrum die op basis van het basisprogramma Grote Steden worden verricht en voor de overige activiteiten van het Kenniscentrum wordt een gescheiden administratie gevoerd.

2 Het Kenniscentrum doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister van alle omstandigheden die van substantiële invloed kunnen zijn op de subsidie en de rechtmatige en doelmatige besteding daarvan.

§ 4 — Overige en slotbepalingen

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

§ 4 — Overige en slotbepalingen

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Kenniscentrum Grote Steden.