wetzoeker

1.4. Organisatorisch kader (deel 1) Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996

In het boven aangehaalde jubileumboekwerk Volkshuisvesting in goud wordt niet alleen de formele organisatie beschreven, maar wordt ook een beeld gegeven van het ambtelijke krachtenveld binnen het kader van de formulering van enkele beleidsvraagstukken, de regelgeving en de uitvoering. Ook op de reacties met betrekking tot nieuwe problemen word uitvoerig ingegaan. Het boek gaat echter wel uit van de zaken die thans door het Directoraat-Generaal van Volkshuisvesting zijn aangestuurd. Hierdoor is een deel van het bouwnijverheidsbeleid, voorzover dit niet door het Directoraat-Generaal is aangestuurd, onderwerp van nader onderzoek geweest. In de praktijk is dit bouwnijverheidsbeleid voor een groot deel vooronderzoek voor de normering van te subsidiëren woningbouw op grond van criteria als efficiency en prijsbeheersing.

In het rapport institutioneel onderzoek Volkshuivesting (rio rapport nr. 136) is de organisatie van het ministerie daarom niet volledig doorgelicht, maar worden slechts hoofdlijnen aangegeven. Voorzover de handelingen zijn verricht door directoraten en afdelingen binnen het ministerie, treedt de minister die belast was met het beleidsterrein volkshuisvesting, als actor op. Officieel is in 1996 gevierd dat het Ministerie van Volkshuisvesting vijftig jaar bestond. Dit ministerie nam formeel zijn taak over van het vooroorlogse Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zich tot dan toe bezig hield met het beleidsterrein, dat voortvloeide uit de Woningwet 1901. Ook na de oorlog is dat ministerie nog met enkele taken belast geweest. Volgens de Woonruimtewet 1947 is Binnenlandse Zaken belast met de nadere regelgeving met betrekking tot het gemeentelijk toewijzingsbeleid van woningen.

De eerste taak van het nieuwe ministerie was het staatstoezicht. Officieel was in de wet van 1901 het staatstoezicht opgedragen aan de inspecteur van Volksgezondheid, onder wie provinciale inspecteurs ressorteerden. Maar blijkens het aanstellingsbesluit van de Directeur Generaal van de Centrale Directie Volkshuisvesting (CDV) was deze tevens inspecteur. Hij stelde in de provincies speciale ambtenaren aan, belast met het toezicht op de volkshuisvesting, de Hoofdingenieurs van dienst. Deze ingenieurs adviseerden de gemeenten bij de regelgeving en adviseerden de beroepsinstanties wanneer deze door belanghebbenden waren aangesproken voor het treffen van voorzieningen. Volkshuisvesting moest echter op grootschaliger wijze worden aangepakt, toen als gevolg van oorlogshandelingen in de jaren 1940–1945 tal van woningen in Nederland werden beschadigd en verwoest, en er aldus een acute woningnood ontstond.

Het Ministerie van VROM, dat in 1996 het vijfitgjarig bestaan van de Centrale Dienst Volkshuisvesting herdacht, kent een voorgeschiedenis. Vanaf 17 mei 1940 bestond er een algemeen gemachtigde voor de Wederopbouw. Dat was ir. J.A. Ringers, die daartoe – vlak na de capitulatie – door generaal Winkelman als opperbevelhebber der strijdkrachten was aangesteld, om met name de schade van het bombardement te Rotterdam en te Middelburg te herstellen. Hij kreeg door de bezettende Rijkscommissaris de leiding over de gehele bouwnijverheid toegewezen, maar werd in 1943 gearresteerd wegens zijn contacten met Londen. Hij zou de eerste naoorlogse minister worden. In het bevrijde Zuiden was intussen in 1945 in samenwerking met Londen een college opgericht, dat eveneens met wederopbouw was belast. Dat kwam na 23 juni formeel onder Ringers te staan, toen die op die datum tot Minister van Openbare Werken werd benoemd. Op 16 augustus 1945 werd de naam, van het ministerie herdoopt in dat van Openbare Werken en Wederopbouw. Op 28 februari 1947 kreeg het ministerie de benaming van Volkshuisvesting en Wederopbouw (Stb, H 63). Op 12 oktober 1956 werd de wederopbouw voltooid verklaard, al was daarmee de woningnood niet opgelost. Het ministerie ging toen onder het vierde kabinet-Drees van start als Ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid (Stcrt. 201). In 1965, bij het in werking treden van de nieuwe Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening werd onder het kabinet-Cals de benaming Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Stb. 146). Bij het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers nam dit ministerie milieubeheer als beleidsterrein over van dat van Volksgezondheid; bij besluit van 4 november 1982, Stb 613, veranderde het zijn naam in Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.’

Op 16 maart 1946 ging het bureau Volkshuisvesting formeel over van het Ministerie van Binnenlandse Zaken naar het ministerie belast met wederopbouw. Er werd een apart directoraat-generaal van de Volkshuisvesting opgericht. Dit directoraat bleef sedertdien ministerieel en stuurde grotendeels het beleid met betrekking tot volkshuisvesting aan.

In 1945 bestond er naast het ministerie van Ringers bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken een Afdeling Volkshuisvesting, die vooral belast was met de inspectietaken krachtens de Woningwet. Deze dienst werd door Ringers overgenomen en – samengevoegd met de Wederopbouwdienst van zijn ministerie – omgedoopt tot een Centrale Directie voor de Volkshuisvesting (CDV). Op 18 maart 1946 werd een directeur-generaal daarvoor benoemd, die tevens hoofdinspecteur was. De inspectie zelf werd per provincie nader geregeld. De directie werd formeel benoemd bij Koninklijk Besluit van 23 september, met terugwerkende kracht vanaf 15 juni. In verband met deze data vond in 1996 de jubileumviering plaats.

De samenvoeging met de Wederopbouwdienst van het ministerie vond op 11 november 1947 plaats, zodat er een Centrale Directie voor de Wederopbouw en de Volkshuisvesting plaats vond. Dat werd in 1956 dus – met de naamsverandering van het ministerie – Centrale Directie voor de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. In 1975 werd de dienst gesplitst en ontstonden de Centrale Directie voor de Volkshuisvesting en de Centrale Directie voor de Bouwnijverheid. In 1981 werd de Centrale Directie tot een directoraat-generaal omgedoopt (DGVH). Indien in dit rapport handelingen van ‘De Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)’ worden beschreven, gaat het in hoofdzaak om handelingen die door het CDV met zijn rechtsovolgers en uiteindelijk door de DGVH werden aangestuurd, deels ook door het directoraat belast met bouwnijverheid.

Daarnaast bestonden er op het beleidsterrein tijdelijk ook andere actoren, waarop hieronder verder zal worden ingegaan.

Zoals gezegd was van 1945 tot 1948 de volledige aansturing van de uitvoering van de wederopbouw in handen van het centraal georganiseerde College van Algemene Commissarissen, dat nog stamde uit de periode van het Militaire Gezag van het bevrijde Zuiden. Dit leidde tot protesten van de gemeenten en andere tegenstanders van een gecentraliseerd wederopbouwbeleid. Aan deze kritiek gaf men in 1948 gehoor door taken van het college naar de gemeenten door te decentraliseren. In afwachting van een nieuwe wederopbouwwet kende minister In ’t Veld aan het college namelijk een delegatiebevoegdheid toe. Na de totstandkoming van de Wederopbouwwet van 1950 werd het college opgeheven. Het ministerie bepaalde nu zelf zijn beleid in overleg met tal van advies-organen en studiecentra, waaronder instituten van het TNO en het in Rotterdam opgerichte Bouwcentrum, waarin het reeds tijdens de oorlog ontstane Bureau Documentatie Bouwwezen was opgenomen, evenals de Stichting Ratiobouw.

Een aparte Dienst Uitvoerende Werken voerde in opdracht van het ministerie woningbouwwerken uit ten behoeve van de volkshuisvesting (de z.g. DUW-arbeiderswoningen), zodat het ministerie zelf als ondernemer probeerde te voorzien in het woningtekort. Deze dienst ging in 1952 over naar het Ministerie van Sociale Zaken. Dit neemt niet weg dat het ministerie zelf nog tientallen jaren lang zelf betrokken bleef bij de financiering en de vormgeving van de woningbouw, waarbij de door de nood van die tijd ingegeven kwaliteitsnormen leidde tot veel innoverende strategieën.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
06-08-2005
BWB-id
BWBR0018408
Versie
2005-08-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl