7.5.1.6. Rechten van successie, schenking en overgang Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Heffing van Rijksbelastingen vanaf 1945
Successiewet 1956
379
Handeling: Het voorbereiden, wijzigen en intrekken van algemene maatregelen van bestuur:
1. houdende de bepaling dat een Nederlandse militair geacht wordt blijvend buiten het Rijk werkzaam te zijn;
2. houdende aanvullende en afwijkende regels, ter zake van de heffing van successie- en schenkingsrecht, van nalatenschappen en schenkingen door ingezetenen die binnen een in de wet genoemde termijn na het verlaten van het Rijk overlijden of doen alsmede m.b.t. vermindering met hetgeen in het buitenland reeds is betaald aan belasting, betreffende: 1) de termijnen binnen welke verplichtingen moeten worden nagekomen of rechten kunnen worden nagekomen, 2) de regeling van de wijze waarop in het buitenland betaalde belasting verrekend wordt, 3) de verplichting om, zo het leggen van conservatoir beslag niet mogelijk is, zekerheid te stellen;
3. houdende (i.v.m. heffing van het recht van overgang) vaststelling dat in de Staat, waarin de erflater of schenker bij overlijden en schenking woonplaats had, hetzij zodanige andere vermogensbestanddelen; bij wijziging van 1966, Stb. 275: bezittingen, nagelaten of geschonken door niet in die Staat wonenden, middellijk of onmiddellijk onderworpen zijn aan een belasting die gelijksoortig is aan het recht van overgang, dan wel voor de regeling van die belasting dergelijke schulden niet mogen worden afgetrokken;
4. houdende regels m.b.t. de bepaling van de waarde (1956–1984: voor de volle of met fedëi-commis bezwaarde eigendom) van periodieke uitkeringen i.v.m. de bepaling van het belastbare bedrag voor de heffing van rechten van successie, schenking en overgang (waardering periodieke uitkeringen);
5. houdende vaststelling van het percentage van de waarde van periodieke uitkeringen (1956–1984: die bepaald is overeenkomstig onder I letter e (zie 3); 1984–: overeenkomstig de voorgaande leden te bepalen waarde) dat in aanmerking genomen wordt bij de bepaling van het belastbaar bedrag voor de heffing van rechten van successie, schenking en overgang over het genot van vruchtgebruik van die uitkeringen (waardering vruchtgebruik);
6. houdende regels welke ten doel hebben te bevorderen dat het vermogen van rechtspersonen die materiële en geestelijke belangen van werknemers en hun familie willen bevorderen blijvend worden aangewend voor nastreving van dat doel;
7. houdende voorwaarden m.b.t. het invorderbaar stellen in 5 jaarlijkse termijnen van opgelegde aanslagen voor de rechten van successie en schenking wegens verkrijgingen bestaande uit ondernemingsvermogen
Periode: 1956–1993
Grondslag: Successiewet 1956,
1. art. 2.1b bij wet van 08-11-1984, Stb. 545;
2. art. 3.4; vervallen van 08-11-1984, Stb. 545;
3. art. 5.2 (onder 2e);
4. art. 21 onder I letter e; gewijzigd bij wijz. van 08-11-1984 in: art. 21.6;
5. art. 21 onder II; gewijzigd bij wijziging van 08-11-1984, Stb. 545 in: art. 21.8;
6. art. 34;
7. art. 59a.1 bij wijziging van 08-11-1984, Stb. 544; vervallen bij wijziging van 30-05-1990, Stb. 222
Waardering: B, 1
1077
Handeling: Het aanwijzen, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van een museum of een steunstichting van dat museum t.a.v. het verkrijgen van de vrijstelling van het recht van successie of schenking
Periode: 1997–
Grondslag: Successiewet 1956, art. 32.1 11, art. 33.1 13; bij wijziging van 20-12-1996, Stb. 654
Waardering: B, 1
392
Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van successie- en schenkingsrecht voor verkrijgingen en schenkingen genoemd in dit artikel:
1. gedeeltelijke: schenking tot het verschaffen van levensonderhoud, schenking i.v.m. kosten van opleiding en studie, schenking aan verenigingen en stichtingen die kunst of wetenschap willen bevorderen, schenkingen ten algemene nutte of voor bijzondere gebeurtenissen;
2. gehele i.v.m. verkrijgingen door: een andere Staat indien het recht meer bedraagt dan dat in Nederland, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam, een in een andere Staat gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, een in een andere Staat gevestigde vereniging of stichting van voorwerpen van kunst en wetenschap;
3. gehele of gedeeltelijke: indien voorwerpen uit de nalatenschap met een nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat
Periode: 1956–
Grondslag: 1. Successiewet 1956, art. 67; gewijzigd bij wijziging van 08-11-1984, Stb. 545 in: art. 67.1;
2. art. 67.2 bij wijziging van 08-11-1984, Stb. 545;
3. Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, art. 12 bij wijziging van 23-02-1998, Stb. 130
Waardering: V, 7 jaar na afhandeling
NB: Deze handeling is tevens opgenomen in het Basis Selectiedocument ‘Cultuurbeheer’ van het Ministerie van Onderwijs, Cultuurbeheer en Wetenschappen onder de nummers 158 en 166
1079
Handeling: Het beschikken op een aanvraag tot het verkrijgen van kwijtschelding van successierecht
Periode: 1997–
Grondslag: Successiewet 1956, art. 67.3
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, art. 11.1 bij wijziging van 23-02-1998, Stb. 130
Waardering: V, 7 jaar na afhandeling
1081
Handeling: Het voordragen van te benoemen leden van de adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit
NB: Op gezamenlijke voordracht wordt de voorzitter benoemd, één gewoon lid wordt benoemd op voordracht van onze Minister en één gewoon lid wordt benoemd op voordracht van de Minister van OCenW
Periode: 1997–
Grondslag: Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, art. 13.3 bij wijziging van 23-02-1998, Stb. 130
Waardering: V, 10 jaar na einde zittingstermijn
V, 10 jaar na afwijzing voordracht
- Regeling
- Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Heffing van Rijksbelastingen vanaf 1945
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 01-09-2005
- BWB-id
- BWBR0018289
- Versie
- 2005-09-01_0