wetzoeker

Wijzigingswet Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, enz. (evaluatieonderzoeken)

Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en enige andere wetten onder meer naar aanleiding van evaluatieonderzoeken

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2005
Rechtsgebied
Jeugdstrafrecht, Strafrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0018175
Versie
2005-07-01_0
SHA-256 bron
5c1908aa9196767f24b57f74a7fdec70ef0e030a8899f37c541574cc9191ed85

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (13)
  1. Artikel I
  2. Artikel II
  3. Artikel III
  4. Artikel IV
  5. Artikel V
  6. Artikel VI
  7. Artikel VII
  8. Artikel VIII
  9. Artikel IX
  10. Artikel X
  11. Artikel XI
  12. Artikel XII
  13. Artikel XIII

Artikel I

Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel II

Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

Artikel III

Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet.

Artikel IV

Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.

Artikel V

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

Artikel VI

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel VII

Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel VIII

Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.

Artikel IX

Wijzigt de Gratiewet.

Artikel X

Wijzigt de Overleveringswet.

Artikel XI

Wijzigt de wet van 7 juli 1988, houdende wijziging van de Wet van 19 november 1986, Stb. 587 tot herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen en enkele andere wetten omtrent de maatregel van terbeschikkingstelling en enige andere onderwerpen die met de berechting van geestelijk gestoorde delinquenten samenhangen.

Artikel XII

Herbenoeming van leden en plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, die zijn benoemd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geschiedt, na afloop van de termijn waarvoor zij zijn benoemd, overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen, doch zodanig dat de totale zittingsduur een termijn van twaalf jaren niet zal kunnen overschrijden.

Artikel XIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.