wetzoeker

Wet BDU verkeer en vervoer

Wet van 23 december 2004, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een brede doeluitkering aan provincies en regionaal openbare lichamen ten behoeve van de uitvoering van een integraal verkeer- en vervoerbeleid (Wet BDU verkeer en vervoer)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2018
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0017828
Versie
2018-01-01_0
SHA-256 bron
c80df9f40bbbf1a1f96dc877ac3599a589fa3f1f9af55774c8306dd3c7d01f42

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (30)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

b. openbaar lichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;

c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam;

d. uitkering: een brede doeluitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

e. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt;

f. verkeer- en vervoerbeleid: het samenstel van maatregelen gericht op aanleg, verbetering van de functionaliteit en op de instandhouding van de gebruiksfunctie van onroerende voorzieningen ten behoeve van het vervoer van personen en goederen, op exploitatie van openbaar en daarmee gelijkgesteld vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000, op verkeersveiligheid en op de overige maatregelen gericht op beïnvloeden van de keuze van een vervoersmodaliteit.

Hoofdstuk 2 — Verstrekking van de uitkering

Artikel 2

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Verstrekking van de uitkering

Artikel 3

1 Onze Minister verstrekt jaarlijks voor het uitkeringsjaar aan een openbaar lichaam een brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoerbeleid in het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied.

2 Het dagelijks bestuur kan een gedeelte van de uitkering verstrekken aan:

a. een gemeente die deel uitmaakt van het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied ten behoeve van de kosten van de uitvoering van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid;

b. een waterschap ten behoeve van de kosten van de aanleg en uitbreiding van de capaciteit van wegen, de verkeersveiligheid op wegen en daaraan gerelateerde voorzieningen voor wegen waarvan het beheer bij reglement aan het waterschap is opgedragen;

c. een provincie ten behoeve van de kosten van de aanleg van provinciale wegen binnen een krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied.

Hoofdstuk 2 — Verstrekking van de uitkering

Artikel 4

1 De uitkering wordt niet aangewend voor kosten van algemeen bestuurlijke aard.

2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld over de verstrekking en de betaling van de uitkering.

Hoofdstuk 3 — Berekening van de uitkering

Artikel 5

1 De verdeling over de openbare lichamen van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag is gebaseerd op bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde gebiedsgerichte structuurkenmerken en andere kenmerken.

2 Op basis van de structuurkenmerken wordt voor ieder openbaar lichaam afzonderlijk het percentuele aandeel berekend van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag.

3 Op basis van de andere kenmerken wordt het absolute aandeel berekend van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag.

4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de structuurkenmerken en de berekening van het percentuele en het absolute aandeel nadere regels gesteld.

5 Onze Minister kan in overeenstemming met de dagelijkse besturen uitgaven doen voor:

a. het te voeren gemeenschappelijk verkeer- en vervoerbeleid;

b. het verlenen van een subsidie aan een rechtspersoon die het te voeren gemeenschappelijk verkeer- en vervoerbeleid behartigt.

6 De uitgaven, bedoeld in het vijfde lid, worden in mindering gebracht op het totaal voor de uitkeringen beschikbare bedrag, bedoeld in het tweede en het derde lid.

Hoofdstuk 4 — Besteding van de uitkering

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Besteding van de uitkering

Artikel 7

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Besteding van de uitkering

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Besteding van de uitkering

Artikel 9

1 Het dagelijks bestuur kan een gedeelte van de uitkering reserveren voor het doen van uitgaven in de jaren die volgen op het uitkeringsjaar.

2 Vervallen.

3 Vervallen.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 10

Het openbaar lichaam legt financiële verantwoording af over de besteding en reservering ten laste van de uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 11

1 Onze Minister kan een uitkering ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen indien:

a. uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is besteed aan de voorbereiding en de uitvoering van het regionale verkeer- en vervoerbeleid en, indien een gedeelte van de uitkering is gereserveerd, uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat dit is gebeurd in overeenstemming met artikel 9 of de reservering niet herkenbaar in de verantwoording is vastgelegd;

b. geen verantwoording is afgelegd die overigens voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

2 Alvorens tot wijziging over te gaan stelt Onze Minister het dagelijks bestuur in de gelegenheid te worden gehoord.

3 De wijziging van de uitkering ten nadele van het openbaar lichaam vindt plaats binnen vijf jaar na het einde van het uitkeringsjaar.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 12

Onverschuldigde betalingen gedaan in het kader van de toepassing van deze wet kunnen door Onze Minister binnen zes jaar worden verrekend met de betalingen op grond van deze wet.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 13

1 Het dagelijks bestuur verstrekt desgevraagd inlichtingen omtrent de besteding en de reservering ten laste van de uitkering aan de accountant die in opdracht van Onze Minister met de controle hiernaar is belast.

2 De accountant, bedoeld in het eerste lid, kan ten aanzien van de financiële verantwoording door het openbaar lichaam tevens informatie inwinnen bij de accountant die belast is met de controle van het openbaar lichaam.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 14

1 Het dagelijks bestuur verstrekt aan Onze Minister desgevraagd informatie met het oog op:

a. de uitoefening van zijn bevoegdheden krachtens deze wet;

b. zijn verantwoordelijkheid voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt.

2 Onze Minister kan nadere regels stellen over de aard van de informatie, bedoeld in het eerste lid, en de wijze van verstrekking ervan.

Hoofdstuk 5 — Verantwoording over de uitkering

Artikel 15

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 16

Wijzigt de Wet personenvervoer 2000.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 17

Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 18

Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 19

Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 20

Wijzigt de Spoorwegwet.

Hoofdstuk 6 — Wijziging andere wetten

Artikel 21

Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 23

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 26

Vervallen

Hoofdstuk 7 — Overgangsrecht

Artikel 27

1 Wijzigt de Spoorwegwet.

2 Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 8 — Slotbepalingen

Artikel 28

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 8 — Slotbepalingen

Artikel 29

1 Artikel 19 werkt terug tot en met 1 juli 2002.

2 Artikel 20, onderdeel A, werkt terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de in dat artikel genoemde bepalingen van de Spoorwegwet (Stb. 2003, 264).

Hoofdstuk 8 — Slotbepalingen

Artikel 30

Deze wet wordt aangehaald als: Wet BDU verkeer en vervoer