§ 1 — Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en j (deel 1) Regeling veiligheid zeeschepen
Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en j
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en j, voldoen aan de volgende eisen:
a. ten aanzien van de scheepsbouwkundige, werktuigkundige en elektrotechnische aspecten, aan de eisen opgenomen in de regels, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit;
b. ten aanzien van de stuurinrichting:
1. zij zijn voorzien van ten minste twee van elkaar onafhankelijke stuurinrichtingen;
2. de stuurinrichtingen zijn zodanig ontworpen dat bij volle kracht vooruit, bij volle kracht achteruit en onder de te verwachten bedrijfsomstandigheden een goede werking is gegarandeerd;
3. de stuurinrichting is, wanneer het schip op de grootst toegestane diepgang in zeewater lig, in staat om bij de maximum dienstsnelheid vooruit het roer 35 graden uitslag aan één zijde te bewegen naar 35 graden uitslag aan de andere zijde. De tijdsduur benodigd voor het bewegen van het roer van 35 graden uitslag aan één zijde tot 30 graden uitslag aan de andere zijde, mag onder dezelfde omstandigheden niet meer dan 28 seconden bedragen;
4. de stuurinrichting is zodanig uitgevoerd dat bij een enkelvoudige fout in het pijpleidingsysteem of aan één van de krachtwerktuigen, het defecte gedeelte zo danig buiten bedrijf kan worden gesteld dat de goede werking van de stuurinrichting kan worden gehandhaafd of snel kan worden hersteld;
5. de stuurinrichtingen kunnen vanaf de brug worden bediend;
6. het uitvallen van de energievoorziening van de krachtwerktuigen en het laag niveau van de hydraulische olie zijn op de brug gealarmeerd, en
7. de stand van het roer wordt op de brug aangegeven. Het systeem van de roerstand aanwijzing werkt onafhankelijk van het afstandsbedieningsysteem;
c. ten aanzien van de lensinrichting: de privaatrechtelijke eisen (Rules) van de klassenbureaus voor vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter en met eigen middelen tot werktuiglijke voortstuwing;
d. ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand:
1. zij zijn voorzien van ten minste één brandbluspomp;
2. capaciteit: de totale capaciteit van de (hoofd)brandbluspomp is niet kleiner dan:
Q = (0,145(L (B+D))1/2+ 2,170)2 maar hoeft niet meer te zijn dan 25 m3/uur
waarin:
B = grootste breedte (van de mal) van het vaartuig in meters
D = grootste hoogte van de holte tot het schottendek in meters
L = Lengte van het vrijboord in meters
Q = totale capaciteit in m3/uur;
3. indien meerdere brandbluspompen worden gebruikt, heeft elke brandbluspomp een capaciteit van niet minder dan 80% van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het aantal brandbluspompen, maar in geen geval minder dan 10 m3/uur;
4. de brandbluspomp kan vanaf de brug worden gestart zodat onmiddellijk watertoevoer van de brandblusleiding beschikbaar is;
5. de waterdruk bij de brandkranen is tenminste 0,20 N/mm2 met één waterstraal in werking, en
6. elk deel van het schip kan met één straal worden bereikt;
e. ten aanzien van de voorzieningen in ruimtes voor machines van categorie A:
1. de eis van voorschrift II-2/10.4 van het SOLAS-verdrag met betrekking tot de vast aangebrachte brandblusinstallatie is van overeenkomstige toepassing;
2. schijnlichten, indien aanwezig, zijn van staal;
3. in schachten van ruimtes voor machines zijn geen ramen, patrijspoorten of lichtranden aangebracht;
4. bedieningsmiddelen zijn aangebracht voor:
i. schijnlichten en ventilatieopeningen;
ii. sluiten van mechanisch bewogen deuren;
iii. stoppen van de ventilatoren;
iv. stoppen van brandstofoliepompen, en
v. sluiten van de snelafsluiters aan de brandstoftank;
5. de bedieningsmiddelen, genoemd in 4, zijn buiten de desbetreffende ruimte aangebracht en gegroepeerd op zo weinig mogelijk plaatsen. Een dergelijke plaats heeft een veilige toegang van open dek;
6. ventilatiesystemen van ruimtes voor machines van categorie A zijn volledig gescheiden van andere ventilatiesystemen, en
7. er is een wachtklok aanwezig conform de uitvoeringseisen van de Code on Alerts and Indicators 2009 indien er wachtronden in de machinekamer gelopen kunnen worden;
f. ten aanzien van brandbeheersing, met als doel het insluiten van de brand binnen de ruimte waar deze is ontstaan:
1. het vaartuig wordt onderverdeeld door brandschotten en -dekken;
2. de thermische isolatie van begrenzingen is afgestemd op het brandgevaar van de ruimte en aangrenzende ruimtes, en
3. de brandwerendheid van de begrenzingen wordt gehandhaafd bij openingen en doorvoeringen;
g. ten aanzien van structurele brandbeveiliging:
1. de minimale brandwerendheid van schotten en dekken is conform Tabel 1:
Tabel 1
[Punt] | Ruimte | Gescheiden door | Van Ruimte
[(1)] | Ruimte voor machines van categorie A | A-60 | Accommodatie / controlestations / gangen / trappen / dienstruimten met hoog brandrisico
[(2)] | Ruimte voor machines van categorie A | A-O | Andere ruimtes dan hierboven vermeld [punt (1)]
[(3)] | Kombuis | A-O | Tenzij anders bepaald
[(4)] | Dienstruimte met een hoog brandrisico anders dan kombuis | B-15 | Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
[(5)] | gang, trappenhuis | B-O | Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
[(6)] | Laadruimte | A-O | Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
2. begrenzingen van ruimtes die niet hierboven zijn vermeld zijn van onbrandbaar materiaal;
3. de romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn vervaardigd van staal of ander gelijkwaardig materiaal. Voor de toepassing van de omschrijving van staal of ander gelijkwaardig materiaal zoals die gegeven is in het SOLAS-verdrag is de toepasselijke blootstellingduur aan brand een uur. Schepen gebouwd van ander materiaal dan van staal, behoeven speciale aandacht;
4. trappen zijn op ten minste een verdieping afgesloten door schotten en deuren of luiken, teneinde de vrije stroom van rook naar andere dekken van het vaartuig en de luchttoevoer naar het vuur te beperken. Deuren die een dergelijke afsluitende werking hebben, zijn zelfsluitend;
5. openingen in Klasse ‘A’ schotten zijn voorzien van permanent bevestigde afsluitmiddelen die ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten of dekken waarin deze zijn aangebracht;
6. binnentrappen die ruimtes voor machines bedienen, accommodatieruimtes, dienstruimtes of controlestations zijn van staal of ander gelijkwaardig materiaal;
7. deuren in begrenzingschotten van ruimtes voor machines van categorie A en kombuizen, zijn zelfsluitend behalve wanneer deze op zee gesloten blijven, en
8. waar Klasse ‘A’ schotten zijn doorboord voor het doorvoeren van elektriciteitskabels, leidingen, schachten, kokers, etc. of voor spanten, balken of andere structurele delen, zijn voorzieningen getroffen om ervoor te zorgen dat de brandwerendheid niet wordt aangetast. Voorzieningen voorkomen eveneens de overdracht van warmte aan niet-geïsoleerde grenzen aan de kruisingen en eindpunten van de schotten en doorboringen, door de horizontale en verticale grenzen of doorboringen over een afstand van 450 mm te isoleren;
h. ten aanzien van materialen:
1. verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken produceren bij brand geen overmatige hoeveelheden rook, giftige gassen of dampen en hebben een laag vlamspreidend vermogen type overeenkomstig de onderdelen 2 en 5 van bijlage 1 bij de FTP Code;
2. isolerende materialen zijn onbrandbaar met uitzondering van materialen gebruikt in laadruimtes of koelvrieskamers of dienstruimtes;
3. waar leidingen Klasse ‘A’ of ‘B’ schotten doorboren, zijn de leidingen of de onderdelen van de doorboring vervaardigd van staal of ander equivalent materiaal, rekening houdend met de temperatuur en brandwerendheid die dergelijke schotten moeten hebben;
4. leidingen waar olie of brandbare vloeistoffen door accommodatieruimtes en dienstruimtes worden vervoerd, zijn gelet op het brandgevaar vervaardigd uit staal of ander equivalent materiaal;
- Regeling
- Regeling veiligheid zeeschepen
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-07-2026
- BWB-id
- BWBR0017728
- Versie
- 2026-07-01_0