wetzoeker

Besluit hoofdspoorweginfrastructuur

Besluit van 3 december 2004, houdende bepalingen met betrekking tot de spoorweginfrastructuur (Besluit spoorweginfrastructuur)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2024
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0017626
Versie
2024-01-01_0
SHA-256 bron
68de59e8f43ce62fda6ee6c1f86e0243a34bc20c23f604972e1875898975fd27

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (31)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31

§ 1 — Algemeen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;

wet: Spoorwegwet.

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 2

1 Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld waaraan hoofdspoorweginfrastructuur moet voldoen.

2 Deze eisen hebben onder meer betrekking op aspecten als bedoeld in artikel 6 van de wet.

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 3

1 Onze Minister kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 2.

2 De beheerder legt bij zijn aanvraag voor een ontheffing de bescheiden over en verstrekt de inlichtingen die Onze Minister noodzakelijk acht.

3 Onze Minister vermeldt in de beschikking tot ontheffingverlening in ieder geval:

a. de eisen waarvan ontheffing is verleend;

b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;

c. de datum van afgifte;

d. de geldigheidsduur.

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 4

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 5

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 6

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 7

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 8

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 9

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 10

Vervallen

§ 2 — Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 11

Vervallen

§ 3 — Keuring na herstel

Artikel 12

Vervallen

§ 3 — Keuring na herstel

Artikel 13

Vervallen

§ 3 — Keuring na herstel

Artikel 14

Vervallen

§ 3 — Keuring na herstel

Artikel 15

Vervallen

§ 4 — Intrekking en verval geldigheid goedkeuringscertificaat

Artikel 16

Vervallen

§ 4 — Intrekking en verval geldigheid goedkeuringscertificaat

Artikel 17

Vervallen

§ 5 — Registratie en bewaring van gegevens of documenten

Artikel 18

Vervallen

§ 6 — EG-verklaringen

Artikel 19

Vervallen

§ 6 — EG-verklaringen

Artikel 20

Vervallen

§ 7 — Begrenzing van de hoofdspoorweg

Artikel 21

Vervallen

§ 7 — Begrenzing van de hoofdspoorweg

Artikel 22

Vervallen

§ 7 — Begrenzing van de hoofdspoorweg

Artikel 23

Vervallen

§ 7 — Begrenzing van de hoofdspoorweg

Artikel 24

Vervallen

§ 8 — Spoorwegbruggen

Artikel 25

1 Onze Minister bepaalt:

a. voor welke beweegbare bruggen door hem vaste openingstijden worden vastgesteld;

b. welke beweegbare bruggen op verzoek van de schipper worden geopend volgens een door hem goed te keuren regeling van de beheerder;

c. welke beweegbare bruggen als regel geopend zijn, en alleen gesloten zijn als er een trein moet passeren;

d. bij welke beweegbare bruggen door hem voor te schrijven communicatiemiddelen ten behoeve van de scheepvaart aanwezig moeten zijn;

e. ten aanzien van welke bruggen de beheerder door hem goed te keuren voorwaarden voor de doorvaart vaststelt, voor zover dit in verband met de uit de afmetingen van schepen voortvloeiende gevaren en beperkingen en met het oog daarop te nemen maatregelen nodig is.

2 Onze Minister hoort, alvorens hij zijn bevoegdheden ingevolge het eerste lid uitoefent, de beheerder, de vaarwegbeheerder en vertegenwoordigers uit de scheepvaart.

3 Onze Minister kan bepalen hoe lang voordat een trein een brug, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, moet passeren, met het sluiten van de brug kan of moet worden aangevangen.

4 Indien in een vaarweg ter plaatse van een beweegbare brug de scheepvaart is gestremd, kan in afwijking van hetgeen in of krachtens de vorige leden is bepaald, de brug gesloten blijven.

§ 8 — Spoorwegbruggen

Artikel 26

1 De beheerder draagt er zorg voor, dat bij de bruggen tekens worden getoond overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6.25 en 6.26, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, met dien verstande dat het teken, bedoeld in artikel 6.26, vierde lid, onderdeel f, van het Binnenvaartpolitiereglement, alleen wordt gebruikt indien Onze Minister zulks bepaalt of goedkeurt.

2 In het geval van gestoorde lichttekens toont de beheerder een bord als bedoeld in artikel 6.26, vijfde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.

3 Artikel 6.26 van het Binnenvaartpolitiereglement is van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit besluit daar niet van wordt afgeweken.

§ 9 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 27

1 Vergunningen die ingevolge artikel 15 van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (Stb. 1977, 152) en ontheffingen die ingevolge artikel 39 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend van de artikelen 36, eerste lid, 37 en 38 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 19 van de wet.

2 Ontheffingen die ingevolge artikel 39 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend van artikel 36, tweede lid, van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 21 van de wet.

§ 9 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 28

Vervallen

§ 9 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 29

Vervallen

§ 9 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 30

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit hoofdspoorweginfrastructuur.

§ 9 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 31

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.