wetzoeker

Besluit spoorverkeer

Besluit van 3 december 2004, houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-09-2023
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0017624
Versie
2023-09-01_0
SHA-256 bron
c4dc774ca7328c68c7b9c27194066e920e37a4fca5fe9da0b9e08288208052e6

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (45)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45

§ 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bestuurder: bestuurder van een trein;

gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;

gevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

hoofdspoorweg: hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, of artikel 124, tweede lid, van de wet;

rangeerder: persoon die een trein begeleidt;

sein: verkeersteken inhoudende een ge- of verbod, een waarschuwing of een aanduiding;

TSI Exploitatie en verkeersleiding: Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L 139I);

wet: de Spoorwegwet.

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 2

Vervallen

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 3

Vervallen

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 4

1 Het is verboden om gedeelten van de hoofdspoorweg, waar het verkeer niet wordt geregeld door lichtseinen, te gebruiken zonder voorafgaande toestemming daarvoor van de beheerder.

2 In het belang van een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg kan de beheerder aanwijzingen verbinden aan de toestemming.

3 De aanwijzingen, bedoeld in het tweede lid, worden opgevolgd.

4 Het eerste lid is niet van toepassing indien de hoofdspoorweginfrastructuur van het betreffende gedeelte van de hoofdspoorweg en het betrokken spoorvoertuig zijn voorzien van een op elkaar afgestemd en goed functionerend ERTMS.

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 5

1 Het is verboden over een hoofdspoorweg gezien de rijrichting van de trein achteruit te rijden.

2 Het eerste lid is niet van toepassing:

a. indien zich op of nabij de trein een rangeerder bevindt, die een onbelemmerd uitzicht heeft op de te berijden hoofdspoorweg en de daarbij behorende seinen en die bij voortduring in verbinding staat met de bestuurder;

b. indien zich op, nabij of aan de trein een installatie bevindt, die de bestuurder tijdens het achteruitrijden bij voortduring een onbelemmerd inzicht op de veilige berijdbaarheid van de hoofdspoorweg biedt;

c. bij het achteruitrijden met een treinstel over korte afstand uitsluitend in verband met het koppelen of ontkoppelen daarvan.

3 De aanwijzingen van de rangeerder worden opgevolgd.

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 6

1 Het is verboden een trein op een hoofdspoorweg terug te zetten zonder voorafgaande toestemming daarvoor van de beheerder.

2 In het belang van een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg kan de beheerder aanwijzingen verbinden aan de toestemming.

3 De aanwijzingen, bedoeld in het tweede lid, worden opgevolgd.

4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder terugzetten verstaan het achteruitrijden waarbij een reeds gepasseerd sein, wissel, spoorwegovergang of andere verkeersbeïnvloedende installatie wederom wordt gepasseerd.

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 7

Vervallen

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 8

Vervallen

§ 2 — Gebruik van hoofdspoorwegen

Artikel 9

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen en spoorvoertuigen.

§ 3 — Treinsamenstelling

Artikel 10

1 Het is verboden met een spoorvoertuig van een hoofdspoorweg gebruik te maken dan wel gebruik te laten maken indien de lading daarvan buiten het in het infrastructuurregister vermelde referentieprofiel voor spoorvoertuigen uitsteekt.

2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de afmetingen van de lading blijven binnen het in de netverklaring vastgestelde profiel; en

b. de beheerder voorafgaand aan het gebruik daarvoor toestemming heeft verleend.

3 In het belang van een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg kan de beheerder aanwijzingen verbinden aan de toestemming.

4 De aanwijzingen, bedoeld in het derde lid, worden opgevolgd.

§ 3 — Treinsamenstelling

Artikel 11

Vervallen

§ 3 — Treinsamenstelling

Artikel 12

Vervallen

§ 3 — Treinsamenstelling

Artikel 13

In afwijking van de geldende paragrafen van de TSI Exploitatie en verkeersleiding mag de stralende verlichting geel zijn bij een trein ten aanzien waarvan een ontheffing is afgegeven op grond van artikel 26k, vijfde lid, van de wet of artikel 26q, zesde lid, van de wet.

§ 3 — Treinsamenstelling

Artikel 14

Vervallen

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 15

Vervallen

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 16

Vervallen

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 17

Vervallen

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 18

Op hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen bedraagt de maximumsnelheid 30 kilometer per uur.

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 19

1 Onverminderd artikel 18 en de door de seinen aangegeven maximumsnelheid is de snelheid op de hoofdspoorweg niet hoger dan de door de betrokken spoorwegonderneming voor de trein vastgestelde maximumsnelheid.

2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen van de maximum snelheid.

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 20

1 Onverminderd artikel 18 is de snelheid op de hoofdspoorweg niet hoger dan de snelheid waarmee de trein tot stilstand kan worden gebracht binnen de afstand waarover de spoorweg te overzien en vrij is, indien:

a. wordt gereden op een gedeelte van de hoofdspoorweg waar het verkeer niet wordt geregeld door lichtseinen;

b. op aanwijzing van de beheerder een hoofdsein dat een rood licht uitstraalt en is voorzien van een onderbord met het opschrift P als bedoeld in bijlage 4 van de Regeling spoorverkeer wordt gepasseerd;

c. wordt gereden op een gedeelte van de hoofdspoorweg dat buiten dienst is gesteld; of

d. via de voorgeschreven communicatiemiddelen een alarmsignaal is ontvangen, met dien verstande dat de snelheid ten hoogste 40 kilometer per uur bedraagt.

2 Onze Minister kan gedeelten van de hoofdspoorweg als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aanwijzen waarop het eerste lid niet van toepassing is.

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 21

1 Indien gereden wordt over hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen, die gelegen zijn in een kruising of een samenloop met een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, en die niet worden aangeduid als een overweg door middel van de borden J12 en J13 van bijlage 1 bij RVV 1990:

a. wordt de snelheid verminderd en wordt zo nodig gestopt als de veiligheid van het verkeer dat verlangt;

b. wordt de weggebruikers voorrang verleend;

c. worden de aanwijzingen 1 tot en met 7 van bijlage 2, behorende bij RVV 1990, opgevolgd;

d. worden aan de weggebruikers de voor het rijden van de trein en voor de veiligheid van het verkeer benodigde stoptekens, bedoeld in artikel 82, vierde lid, van RVV 1990, en andere aanwijzingen gegeven.

2 Wanneer de stoptekens en aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet door de bestuurder kunnen worden gegeven, worden deze gegeven door de begeleider van de trein.

§ 4 — Veilig vertrek en vervoer

Artikel 22

1 Op kruisingen van hoofdspoorwegen met niet voor het openbaar verkeer openstaande wegen verlenen weggebruikers voorrang aan spoorvoertuigen.

2 Het is weggebruikers verboden een kruising als bedoeld in het eerste lid op te rijden of te betreden:

a. indien zij deze niet terstond geheel kunnen passeren en deze niet geheel vrij kunnen maken;

b. indien aldaar door een begeleider van een trein een stopteken overeenkomstig model F 10 van bijlage I van het RVV 1990, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

§ 5 — Informatieverplichtingen en communicatie

Artikel 23

Vervallen

§ 5 — Informatieverplichtingen en communicatie

Artikel 24

Vervallen

§ 5 — Informatieverplichtingen en communicatie

Artikel 25

Vervallen

§ 6 — Verplichtingen bij onregelmatigheden

Artikel 26

1 De beheerder kan bij gestoord bedrijf, incidenten of noodsituaties aan de bestuurder of andere personen die deelnemen aan het spoorverkeer, aanwijzingen geven inzake het veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg. Deze personen zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.

2 De maatregelen die worden gehanteerd bij gestoord bedrijf, incidenten, noodsituaties en bij het herstel van het veilige en ongestoorde treinverkeer houden in elk geval in dat de beheerder een noodplan opstelt dat voldoet aan artikel 54, eerste lid, van richtlijn 2012/34/EU.

3 De spoorwegonderneming doet onverwijld melding aan Onze Minister van storingen of andere onregelmatigheden die een veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg in gevaar brengen of kunnen brengen, voor zover deze een trein betreffen waarmee in haar opdracht gebruik wordt gemaakt van de hoofdspoorweg.

§ 6 — Verplichtingen bij onregelmatigheden

Artikel 27

Vervallen

§ 6 — Verplichtingen bij onregelmatigheden

Artikel 28

Vervallen

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 29

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

parkeren: op een spoorwegemplacement laten stilstaan van een trein anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van reizigers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

rangeren: op een spoorwegemplacement splitsen of opnieuw samenvoegen van treinen, dan wel in een bepaalde volgorde op een spoor of naar andere sporen manoeuvreren;

spoorwegemplacement: op grond van artikel 30 aangewezen deel van de hoofdspoorweg.

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 30

Bij ministeriële regeling worden delen van hoofdspoorwegen aangewezen als spoorwegemplacementen.

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 31

Bij rangeren en parkeren kunnen de regels met betrekking tot geluidsinstallaties, verlichting en sluitseinen uit de TSI Exploitatie en verkeersleiding buiten toepassing worden gelaten.

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 32

Het is verboden om bij het rangeren te rijden met een hogere snelheid dan 40 kilometer per uur.

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 33

De spoorwegonderneming verstrekt voordat in haar opdracht wordt gerangeerd, aan de bestuurder en de rangeerder een rangeeropdracht en aan de beheerder een rangeerplan.

§ 7 — Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen spoorwegemplacementen

Artikel 34

1 Een trein is tijdens het gebruik van een hoofdspoorweg uitsluitend binnen een spoorwegemplacement aan de voor- en aan de achterzijde voorzien van tenminste een brandend wit licht.

2 Het eerste lid is niet van toepassing gedurende de periode dat een trein is geparkeerd.

§ 8 — Overige bepalingen

Artikel 35

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden over aanwijzingen als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, tweede lid en 10, derde lid.

§ 8 — Overige bepalingen

Artikel 36

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen.

§ 8 — Overige bepalingen

Artikel 37

De beheerder draagt er zorg voor:

a. dat gedeelten van de hoofdspoorweg, die buiten dienst zijn gesteld worden aangeduid met de daartoe door de beheerder aangewezen seinen overeenkomstig het krachtens artikel 36 bepaalde;

b. dat de hoofdspoorweg ter plaatse waar werkzaamheden aan of nabij die hoofdspoorweg worden uitgevoerd, in de bij ministeriële regeling bepaalde gevallen buiten dienst wordt gesteld of doelmatig wordt afgeschermd;

c. dat tijdens de uitvoering van werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg gebruik wordt gemaakt van goed functionerende automatische waarschuwingsapparatuur als bedoeld in normblad nummer 730-3 van de Internationale Spoorweg Unie op de wijze als in dat normblad bepaald, of van goed functionerende andere bij ministeriële regeling voorgeschreven apparatuur.

§ 8 — Overige bepalingen

Artikel 38

Vervallen

§ 9 — Handhaving

Artikel 39

Overtreding van artikel 22 vormt een strafbaar feit in de zin van artikel 87, eerste lid, van de wet.

§ 9 — Handhaving

Artikel 40

Overtreding van de artikelen 4, eerste en derde lid, 5, eerste en derde lid, 6, eerste en derde lid, 10, eerste en vierde lid, 13, 18, 19, eerste lid, 20, eerste lid, 21, 26, 32, 33 en 37, vormt een beboetbaar feit in de zin van artikel 77, eerste lid, van de wet.

§ 10 — Overgangsrecht

Artikel 41

Vervallen

§ 10 — Overgangsrecht

Artikel 42

Vervallen

§ 10 — Overgangsrecht

Artikel 43

Na de inwerkingtreding van artikel 23 van het Besluit bijzondere spoorwegen berust de Regeling spoorverkeer op de artikelen 9, 10, 19, 30, 35, 36 en 37 van het Besluit spoorverkeer.

§ 11 — Slotbepalingen

Artikel 44

Vervallen

§ 11 — Slotbepalingen

Artikel 45

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit spoorverkeer.