wetzoeker

Besluit bedrijfsvergunning en enkele vrijstellingen veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen

Besluit van 3 december 2004, houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
16-06-2019
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0017623
Versie
2019-06-16_0
SHA-256 bron
cee668fef718d7443df702705a24eb2cd36f3564ba889aa1967d3d5e3ba60224

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (29)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 16a
  18. Artikel 16b
  19. Artikel 16c
  20. Artikel 16d
  21. Artikel 17
  22. Artikel 17a
  23. Artikel 18
  24. Artikel 19
  25. Artikel 19a
  26. Artikel 20
  27. Artikel 20a
  28. Artikel 21
  29. Artikel 22

Hoofdstuk 1 — Algemeen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

wet: Spoorwegwet.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 1 — Algemeen

Artikel 2

De bedrijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, wordt op naam van de spoorwegonderneming gesteld, met vermelding van de namen van de deelnemende natuurlijke personen dan wel rechtspersonen.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 2 — Goede naam

Artikel 3

Een spoorwegonderneming bezit een goede naam als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, indien:

a. jegens haar in de voorafgaande vijf jaar geen onherroepelijk faillissement is uitgesproken,

b. zij in de voorafgaande vijf jaar, al dan niet met toepassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, niet onherroepelijk is veroordeeld wegens het herhaaldelijk of ernstig overtreden van:

1°. het bepaalde bij of krachtens artikel 4:3, 5:15, vijfde en zesde lid, of 8:3 van de Arbeidstijdenwet,

2°. artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet,

3°. de artikelen 1:11, 1:23, 1:27, eerste lid, 1:32, tweede lid, 10:1, eerste en tweede lid, 10:2, 10:3, 10:4, 10:5, eerste, tweede en derde lid, of 10:9 van de Algemene douanewet,

4°. de artikelen 15, eerste lid, en 189, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269), en

c. tegen haar in de voorafgaande vijf jaar geen onherroepelijk vonnis is gewezen wegens het herhaaldelijk of ernstig niet nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit door haar gesloten arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht tot het verrichten van arbeid.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 2 — Goede naam

Artikel 4

1 Op een bestuurder van een spoorwegonderneming is artikel 3 van overeenkomstige toepassing.

2 Indien natuurlijke personen dan wel rechtspersonen gezamenlijk als spoorwegonderneming optreden, voldoet ieder van de natuurlijke personen en ieder van de bestuurders van de rechtspersonen aan het vereiste van goede naam.

3 Indien de permanente en daadwerkelijke leiding door een ander dan de natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 2, dan wel door een ander dan de in het eerste lid genoemde bestuurder wordt verricht, is artikel 3 op die ander van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 3 — Financiële draagkracht

Artikel 5

Voor financiële draagkracht als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet is vereist dat:

a. de financiële positie van de spoorwegonderneming toereikend is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering, en

b. de spoorwegonderneming geen aanzienlijke achterstallige bedragen is verschuldigd ter zake van opgelegde aanslagen aan belastingen of sociale premies in verband met de activiteit van de onderneming.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 4 — Beroepsbekwaamheid

Artikel 6

Aan het vereiste van beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet is voldaan als de spoorwegonderneming beschikt of zal beschikken over een bestuurlijke organisatie die de nodige kennis en ervaring bezit om de operationele controle en het toezicht op de in de vergunning omschreven activiteiten op veilige en betrouwbare wijze te kunnen uitoefenen.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 5 — Verzekeringsplicht

Artikel 7

1 Een spoorwegonderneming voldoet aan de uit artikel 55 van de wet voortvloeiende verzekeringsplicht indien zij de uit de wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s heeft gedekt door middel van een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft en een dekkingsbedrag heeft van ten minste € 10.000.000 per gebeurtenis.

2 Aan de bedrijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat indien de spoorwegonderneming ook spoorvervoer buiten Nederland wil verrichten, zij zich voor de betreffende landen aanvullend moet verzekeren.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 6 — Beperkte bedrijfsvergunning

Artikel 8

1 De soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de wet waarvoor Onze Minister de vereisten van goede naam en financiële draagkracht buiten toepassing kan laten, zijn:

a. rangeerwerkzaamheden,

b. het verrichten van eigen vervoer,

c. deelnemen aan het spoorverkeer zonder vervoer te verrichten.

2 De soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de wet waarvoor Onze Minister de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid buiten toepassing kan laten, zijn:

a. het ten behoeve van overgave- of stationsfaciliteiten berijden van de hoofdspoorweg, uitsluitend binnen de begrenzing van een spoorwegemplacement, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer, of

b. deelnemen aan het spoorverkeer met zelfrijdend gereedschap of een daarmee vergelijkbaar voertuig om werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg uit te voeren op een deel van de hoofdspoorweg dat, ten behoeve van deze werkzaamheden, buiten dienst is gesteld.

3 Een spoorwegonderneming die louter activiteiten uitoefent als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de uit artikel 55 van de wet voortvloeiende verzekeringsplicht indien zij de uit de wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s heeft gedekt door middel van een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft en een dekkingsbedrag heeft van minimaal € 2.500.000 per gebeurtenis.

4 Artikel 7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

5 Het soort van gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de wet waarvoor Onze Minister de vereisten van goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid alsmede de uit artikel 55 van de wet voortvloeiende verzekeringsplicht buiten toepassing kan laten is: alle taken, voortvloeiende uit de zorg voor beheer, bedoeld in artikel 16 van de wet, zoals uitgevoerd door een beheerder.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 7 — Aanvraag

Artikel 9

Een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning bevat met het oog op het vereiste van goede naam:

a. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, welke verklaring niet ouder is dan twee maanden,

b. een verklaring, afgegeven door de Kamer van Koophandel en niet ouder dan twee maanden, dat jegens de spoorwegonderneming of haar bestuurders in de aaneengesloten periode van vijf jaar voor de vergunningaanvraag geen onherroepelijk faillissement is uitgesproken.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 7 — Aanvraag

Artikel 10

Een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning bevat met het oog op het vereiste van financiële draagkracht de laatste jaarrekening of jaarbalans van de aanvrager alsmede de informatie, bedoeld in bijlage III van richtlijn 2012/34/EU.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 7 — Aanvraag

Artikel 11

Voor de verlening van een bedrijfsvergunning maakt Onze Minister gebruik van een vastgestelde modelvergunning als bedoeld in bijlagen I en II van uitvoeringsverordening (EU) 2015/171 van de Europese Commissie van 4 februari 2015 betreffende bepaalde aspecten van de procedure voor de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEU 2015, L 29) en met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in artikel 3 van die uitvoeringsverordening.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 8 — Melding van wijzigingen

Artikel 12

1 Een spoorwegonderneming aan wie een bedrijfsvergunning is verleend, meldt Onze Minister zo spoedig mogelijk schriftelijk elke wijziging met betrekking tot goede naam, beroepsbekwaamheid en de verzekeringsplicht, ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij gevolgen heeft voor de verleende bedrijfsvergunning of de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

2 In elk geval meldt een spoorwegonderneming:

a. een wijziging van de naam van de onderneming of van een van de namen van de natuurlijke personen of rechtspersonen die gezamenlijk als spoorwegonderneming optreden;

b. een voorgenomen ingrijpende wijziging of uitbreiding van de activiteiten van de spoorwegonderneming.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 9 — Periodieke toetsing van de vereisten van goede naam, beroepsbekwaamheid en van de verzekeringsplicht

Artikel 13

Onverminderd artikel 12, legt de spoorwegonderneming elke vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop de bedrijfsvergunning in werking is getreden, aan Onze Minister over:

a. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,

b. een afschrift van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel,

c. een bewijs van dekking van de uit wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s, en

d. een verklaring dat zij voldoet aan het vereiste van beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 6.

Hoofdstuk 2 — Bedrijfsvergunning › § 10 — Overig

Artikel 14

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een bedrijfsvergunning.

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 16a

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 16b

Vrijgesteld van de verplichting te beschikken over een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel b, van de wet is een spoorwegonderneming die:

a. gebruik maakt van een bijzondere spoorweg die aansluit op een hoofdspoorweg en, gezien vanuit die bijzondere spoorweg, enkel gebruik maakt van het gedeelte van die hoofdspoorweg tot aan het eerste aan die hoofdspoorweg gelegen station als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de wet;

b. van de spoorwegen bedoeld in onderdeel a, enkel gebruik maakt met historische spoorvoertuigen;

c. een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van de wet toepast dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen regels; en

d. aan Onze Minister heeft gemeld dat wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de onderdelen a, b en c.

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 16c

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 16d

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 17

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 17a

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Enkele vrijstellingen verplichting veiligheidscertificaat

Artikel 19a

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20a

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bedrijfsvergunning en enkele vrijstellingen veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen.