3. Actoren (deel 1) Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945 (Ministerie van OCW)
Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die (landelijke) overheidsorganen zijn en handelingen verrichten ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening.
De zorg voor een samenhangend arbeidsvoorzieningsbeleid in Nederland en voor de internationale afstemming daarvan berust in de periode van 1945–2000 grotendeels bij de Minister van Sociale Zaken en de onder hem ressorterende diensten en instellingen. Daarnaast kunnen ministers van andere departementen en diverse adviesorganen als actor worden aangewezen.
Hierna wordt een overzicht gegeven van de actoren die in dit Basisselectiedocument zijn opgenomen.
De Minister van Sociale Zaken
Het departement van Sociale Zaken is in 1933 opgericht. Ook Volksgezondheid ressorteerde eronder, hetgeen tussen 1951 en 1971 tot uitdrukking werd gebracht in de naam Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Vanaf 1981 heet het Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de bewindsman verantwoordelijk is voor de coördinatie van het overheidsbeleid inzake de werkgelegenheid.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er in Nederland geen Minister van Sociale Zaken; zijn taken werden overgenomen door de secretaris-generaal.
De waarnemend Secretaris-Generaal van Sociale Zaken
De Duitse rijkscommissaris voor het bezette Nederland, Seyss-Inquart, machtigde de secretarissen-generaal om op hun beleidsterreinen de openbare orde te handhaven (Verordeningen van 29 mei en 21 juni 1940). Hiertoe werden ze bekleed met wetgevende en uitvoerende bevoegdheden. Nadat Secretaris-Generaal van Sociale Zaken A.L. Scholtens in augustus 1940 gedwongen was te vluchten, werd zijn post tot de bevrijding bekleed door R.A. Verwey, die een vaste benoeming weigerde en zich tevreden stelde met de post van waarnemend secretaris-generaal.
De Minister-President
De Minister-President heeft een rol in arbeidsvoorziening in noodsituaties. Op de eerste plaats bij de voordracht van de afkondiging van de noodtoestand aan de Koningin en het bekendmaken van deze afkondiging. Daarnaast dient hij een voorstel van wet (houdende de inwerkingtreding van hoofdstuk II van de Noodwet Arbeidsvoorziening) in bij de Staten-Generaal en roept deze in buitengewone zitting bijeen.
De Minister van Defensie
Tot 1959 bestonden er twee afzonderlijke ministeries, te weten het Ministerie van Oorlog en Marine.
In 1959 werden de afzonderlijke ministeries samengevoegd tot het Ministerie van Defensie. De Minister van Defensie is in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid betrokken bij het regelen van de samenstelling en de werkwijze van het interdepartementaal Coördinatiecollege voor Openbare Werken.
De Minister van Economische Zaken
In de oorlogsjaren heette het departement van Economische Zaken nog Handel, Nijverheid en Scheepvaart; tijdens het kabinet Schermerhorn-Drees (1945–1946) Handel en Nijverheid, en sinds juli 1946 draagt het de huidige naam.
Het belang van dit departement voor het arbeidsmarktbeleid ligt erin dat het probeert de economische structuur – en daarmee de werkgelegenheid – zoveel mogelijk te versterken. De werkgelegenheidseffecten zijn dus indirect. Alleen in het geval van de sinds 1973 voorkomende steunverlening aan individuele bedrijven, en bij een aantal regionale economische instrumenten wordt beoogd de werkgelegenheid rechtstreeks te bevorderen.
De Minister van Economische Zaken adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.
De Minister van Financiën
De Minister van Financiën kan met behulp van begrotingspolitiek de werkgelegenheid beïnvloeden. Onder andere kan gebruik worden gemaakt van het wijzigen op korte termijn van de fiscale maatregelen die van invloed zijn op investeringsgedrag of koopkracht.
Een meer rechtstreekse betrokkenheid bij het arbeidsvoorzieningsbeleid is de taak van deze minister bij het houden van financieel toezicht op het Emigratiebestuur.
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen
Over het algemeen is de bijdrage van het departement van Onderwijs en Wetenschappen aan het arbeidsvoorzieningsbeleid slechts indirect. Door het bevorderen van scholing wordt de kwaliteit van het aanbod op de arbeidsmarkt vergroot, en de wijze waarop mensen worden geschoold speelt een rol bij de aansluiting met het werkgelegenheidspotentieel. Scholing bevordert dus de inpassing van een beroepsbeoefenaar in het arbeidsproces, zonder dat dit laatste de eerste doelstelling van het beleid is. Een meer rechtstreekse bemoeienis met de arbeidsvoorziening had de Minister van Onderwijs en Wetenschappen toen hij in 1984 samen met de Staatssecretaris van Sociale Zaken de Interdepartementale stuurgroep studie- en beroepskeuzevoorlichting instelde.
De Minister van Binnenlandse Zaken
Het Organisatiebesluit Arbeidsvoorziening (1954) machtigde de Minister van Binnenlandse Zaken om aanwijzingen te geven aan het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening met betrekking tot de samenwerking met andere overheidslichamen. Hij is ook betrokken bij de voordracht van enkele algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot het gehandicaptenbeleid.
De Minister van Landbouw en Visserij
De Minister van Landbouw en Visserij heeft in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid een rol in het kader van het aanwijzen van leden van de interdepartementale stuurgroep beroepskeuzevoorlichting en van de Commissie van Advies voor de Dienst uitvoering van Werken.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Vóór zijn huidige naam heeft dit ministerie in de loop van de tijd de volgende namen gekend:
– Ministerie van Openbare Werken;
– Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw;
– Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting;
– Ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid;
– Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Met het aantreden van het kabinet Schermerhorn-Drees in juni 1945 werd ook de functie gecreëerd van Minister van Openbare Werken; deze was verantwoordelijk voor onder meer de Rijksdienst Uitvoering Werken (DUW). Het departement veranderde in de loop der jaren vaak van naam, waarmee de veranderingen in het beleidsterrein werden weergegeven. Vanaf juli 1946 stond het bekend als Openbare Werken en Wederopbouw, maar zeven maanden later heette het al Wederopbouw en Volkshuisvesting. In 1956 beschouwde men de wederopbouw als voltooid, en veranderde de naam in Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Deze naam hield het negen jaar uit; sinds 1965 heette het departement Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. In 1982 werd daaraan Milieubeheer nog toegevoegd.
Het beleid van dit ministerie is niet gericht op werkgelegenheid, maar de beleidsdoelstellingen kunnen daarvoor wel grote betekenis hebben. Zo raakt het beleid inzake de bouwnijverheid de werkgelegenheid rechtstreeks, terwijl het ruimtelijke beleid zich ook richt op de regionale verdeling van de werkgelegenheid. Het huur- en het subsidiebeleid hebben invloed op het bestedingspatroon en raken dus indirect de werkgelegenheid.
De Minister van Volkshuisvesting adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.
De Interdepartementale commissie voor de Werkgelegenheid (de commissie-Van Rhijn)
- Regeling
- Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945 (Ministerie van OCW)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 15-01-2005
- BWB-id
- BWBR0017512
- Versie
- 2005-01-15_0