wetzoeker

Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven.

Het culturele erfgoed valt te onderscheiden in:

1. De Collectie Nederland. Deze valt weer te verdelen in:

– Culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van het Rijk en de lagere overheden zoals provincies en gemeenten. Hieronder wordt verstaan alles wat ooit door de overheid is verworven.

– Culturele voorwerpen onder beheer van de verzelfstandigde rijksmusea.

– Culturele voorwerpen onder beheer van het ICN.

2. Culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van de overige (meestal particuliere) musea.

3. Culturele voorwerpen in bezit of onder beheer van particuliere instellingen.

Het beleid van de overheid ten aanzien van deze collecties is verschillend. Zo is de overheid direct betrokken bij het beheer van de Collectie Nederland. De culturele voorwerpen van het Rijk werden, voor zover niet ingeschreven in de inventaris van de rijksmusea, voorheen beheerd door de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) hetgeen is overgenomen door het Instituut Collectie Nederland (ICN). De voormalige rijksmusea vielen voorheen onder de overheid maar zijn in 1995 verzelfstandigd en tot stichtingen omgevormd. Hierdoor zijn ze met name betreffende de bedrijfsvoering zelfstandig geworden. De financiering van deze stichtingen is echter nog steeds (grotendeels) in handen van de overheid en hun collecties zijn staatsbezit. De overheid is bij de particuliere musea en instellingen veel minder direct betrokken. De financiering gaat (deels) via de Mondriaan Stichting (die weer geld van de overheid krijgt) en verder bemoeit de overheid zich niet met deze instellingen.

Behalve het onderscheid tussen de bovengenoemde categorieën collecties kan er ook een onderscheid gemaakt worden tussen het cultuurbeheer op nationaal en internationaal niveau. Het nationale beleid van de overheid inzake het cultuurbeheer is begonnen als een reactie op de kunstroven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om geroofde stukken gemakkelijker terug te kunnen brengen, werden er internationale afspraken gemaakt, die niet binnen de afbakening van dit onderzoek vallen. De enige naoorlogse regelgeving in Nederland op het gebied van cultuurbeheer bestond uit het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977.

1 Het Deviezenbesluit 1945 (Stb. 1945/F 222) en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977 (Stcrt. 1977/95) worden in het RIO betreffende deviezenverkeer behandeld.

Hierin werd bepaald dat de export van schilderijen met een waarde boven f 20.000 en alle overige kunstschatten met een waarde boven f 80.000 alleen was toegestaan met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Cultuur. De controle hierop was in handen van de ambtenaar der invoerrechten en accijnzen.

2 M. Mooij-van de Willigen, Wet tot behoud van cultuurbezit. Wet van 1 februari 1984, Stb. 49, houdende vaststelling van de Wet tot behoud van cultuurbezit met aantekeningen, aan de parlementaire stukken ontleend, alfabetisch register en bijlagen. Nederlandse Staatswetten: editie Schuurman & Jordens; 52A (Zwolle 1996), Xff.

Toen in 1980 de Wet inzake de financiële betrekkingen met het buitenland werd ingevoerd zijn deze beide besluiten vervallen.

3 Wet van 28 mei 1980 (Stb. 1980/321).

De lacune die hierdoor is ontstaan is door de Wet tot behoud van cultuurbezit (Stb. 1984/49) opgevuld. Deze wet bevat maatregelen die moeten voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis verloren gaan voor het Nederlandse cultuurbezit. Het gaat hierbij om voorwerpen in bezit van particuliere instellingen en private rechtspersonen. Voorwerpen uit de verzelfstandigde rijksmuseale collecties en voorwerpen in bezit van musea van lagere overheden vallen niet onder deze wet. Deze zijn immers eigendom van de overheid.

Bij de Wet tot behoud van cultuurbezit wordt uitgegaan van een lijst van beschermde cultuurgoederen.

4 Er wordt in de diverse wetten en regelgevingen verschillende termen gehanteerd zoals (kunst)voorwerpen, (beschermd) cultuurgoed en beschermde (culturele) voorwerpen. In dit rapport wordt de term die momenteel gehanteerd wordt gebruikt: namelijk beschermd(e) cultuurgoed (eren).

Culturele voorwerpen op deze lijst mogen het land niet uit opdat ze voor het Nederlandse erfgoed behouden blijven. Alleen met een vergunning van de overheid kunnen deze tijdelijk naar het buitenland worden gebracht. Voor de eigenaar van beschermde cultuurgoederen betekent plaatsing op de lijst aan de ene kant een beperking van vrijheid van handelen, maar aan de andere kant officiële erkenning van het culturele belang van zijn bezit en grotere kans op teruggave bij diefstal. De wet zal de sterk toegenomen aantallen diefstallen niet kunnen voorkomen, maar de meldingsplicht en de beschrijving die erin zijn voorzien vergemakkelijkt de opsporing van het gestolen voorwerp.

De basis voor het internationale beleid vormt de op 15 maart 1993 ingevoerde richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74). De daarmee samenhangende verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395) is op 30 maart in werking getreden. Deze regels zijn complementair. De verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen. De richtlijn regelt de teruggave van goederen die onrechtmatig buiten een Lidstaat zijn gebracht. Met behulp van deze regelingen zijn cultuurgoederen, die onder de Wet tot behoud van cultuurbezit vallen en het grondgebied van Nederland hebben verlaten, op betrekkelijk eenvoudige wijze terug te vorderen. Het voorgeschreven teruggavesysteem geldt uitsluitend tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU).

Om de achterstanden in collectiebeheer en -behoud bij musea en rijksarchieven in te lopen initieerde het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1990 het Deltaplan voor het Cultuurbehoud. Dit had een looptijd van 10 jaar.

Naast het behoud van het cultuurbezit in Nederland is er in de loop van de jaren negentig nog een andere kwestie bijgekomen, namelijk die van selectie. De depots van de archieven en de (rijks)⁠musea zijn vol, waardoor selectie van de collecties noodzakelijk is geworden. De selectie van de overheidsarchieven heeft zijn vorm gekregen in het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT), dat in 1991 van start ging.

Over hoe selectie van de (rijks)⁠museale collecties vorm moet krijgen wordt nog steeds nagedacht en gediscussieerd. Pogingen om te ‘ontzamelen’ of te ‘vervreemden’ van (rijks)museale werken heeft veel weerstand opgeroepen. Een belangrijke kwestie hierbij is het doel waarmee stukken worden afgestoten. Gebleken is dat er werken in de ‘verkoop’ zijn gedaan om met de opbrengst ervan het (rijks)museum op te knappen en niet om een collectie zelf te verbeteren. Een ander probleem is het selectieproces zelf. Een kleine groep bepaalt wat er afgestoten wordt, zij het altijd met de toestemming van de (rijks)⁠museumdirecteur. Deze is namelijk door de Minister van Cultuur gemachtigd te bepalen wat wel en niet in de verkoop mag. Het ICN heeft hiervoor in 1999 een leiddraad opgesteld. Daarnaast heeft de International Council of Museums (ICOM) al in 1987 een (meer algemene) gedragslijn voor museale beroepsethiek ontwikkeld die ook in Nederland gevolgd wordt en waarvan in 1991 een Nederlandse vertaling is verschenen (door de Nederlandse Museumsvereniging NVM).

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
30-10-2004
BWB-id
BWBR0016822
Versie
2004-10-30_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl