wetzoeker

3.2.1. Stichting Productiefonds voor Nederlandse Films (PNF) Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen Stichting Nederlands Fonds voor de Film op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956

Aanleiding voor de oprichting van dit fonds was het ontbreken van een echt continue productie van Nederlandse speelfilms. Maar ook de oprichting van het PNF bracht geen continue productie op gang. Van 1947 tot 1957 werden slechts negen films geproduceerd. Om hierin verbetering aan te brengen overlegden de minister van OK&W en de Nederlandse Bioscoopbond met elkaar. Dit leidde ertoe dat deze twee partijen het PNF oprichtten bij akte/statuten d.d. 8 november 1956.

Artikel 2 van de statuten omschreef de doelstelling als volgt: ‘het bevorderen van de Nederlandse filmproductie in het algemeen en de productie van Nederlandse speelfilms in het bijzonder, in hoofdzaak door het scheppen van financieel gunstige voorwaarden voor de continuïteit van die productie en wat verder voor dit doel bevorderlijk is’. Dit betrof m.n. de bevordering van de ontwikkeling en productie van de lange speelfilm.

Volgens artikel 3 van de statuten bedroegen de geldmiddelen van het fonds:

a. Subsidies van de minister van OK&W.

b. Opbrengsten uit eigen vermogen.

c. Bijdragen van de Nederlandse Bios⁠coopbond.

In het eerste decennium was er een gering aantal aanvragen van filmproducenten om financiële steun. De productie bleef bij ongeveer twee films per jaar.

In de jaren zeventig verbeterde dit maar door de opkomst van de televisie namen de bezoekersaantallen weer drastisch af. Dit leidde ertoe dat de doelstelling verder werd uitgewerkt. Het begrip ‘continuïteit’ werd ruimer opgevat en uitgebreid naar o.a. de creatieve krachten zoals scenarioschrijvers en regisseurs. Ook werd de diversiteit bevorderd door een veelzijdig aanbod van Nederlandse films voor een zo breed mogelijk publiek.

Ook werd de herkenbaarheid van onze cultuur in de film steeds belangrijker gevonden. Dit werd bevorderd door het stimuleren van de creatieve inbreng van filmmakers, acteurs en actrices en het gebruik van de Nederlandse taal. Ook in coproducties, een verschijnsel dat steeds meer voorkwam aan het eind van de jaren zeventig, speelde dit een belangrijke rol.

Ondanks de genoemde intensivering van het beleid bleven aansprekende resultaten uit. De beoogde continuïteit is vooral een zaak van kwantiteit en niet van kwaliteit. Ook bleef de Nederlandse film onrendabel. Oplossingen werden gezocht in samenwerking met de televisie en in internationale coproducties.

In 1983 kwam er een ander fonds bij, namelijk de Stichting FNF. Haar belangrijkste taak was opvang en kweekvijver te zijn voor aankomende cineasten en het bevorderen van diversiteit in de filmcultuur door een categorale indeling van films, b.v. documentair en animatie. De verschillen tussen PNF en FNF werden steeds kleiner. Het belangrijkste verschil was de hoogte van het productieplafond (ƒ 1 miljoen).

Uiteindelijk fuseerde het PNF in 1993 met het FNF.

Het bestuur bestond eerst uit 5 leden. Later werd dat tenminste 6 en ten hoogste 7 leden. De minister van OK&W benoemde 2 leden. Door en uit het hoofdbestuur van de Nederlandse Bioscoopbond werden 3 leden benoemd, t.w. de voorzitter, de vice-voorzitter en de directeur.

M.i.v. 1985 werden alle leden benoemd door de minister van WVC.

Het bestuur van het fonds verleende financiële bijdragen t.b.v. de productie van nationale films enerzijds en later de ontwikkeling van scenario’s anderzijds.

Het fonds ontving subsidie van de minister van Kunsten c.q. Cultuur en opereerde binnen diens beleidskader.

Het fonds was gevestigd te Amsterdam.

Het archief is in beheer bij het Informatiecentrum van het Filmmuseum te Amsterdam. Het is volledig geïnventariseerd inclusief de bestanden ‘Filmprojecten’ en ‘Scenario’s’. De ingang op deze bestanden vormen 3 kaartenbakken die alfabetisch zijn geordend op naam van de productiemaatschappij en van de filmtitel. De inhoud van de kaartenbakken is in Exel gezet zodat ook een digitale ingang beschikbaar is.

In een depot bij het NFF bevinden zich nog, deels in originele deels in duplikaat-/kopievorm, de volgende documenten:

a. Diverse correspondentie, o.a. betreffende de liquidatie van het fonds.

b. Kleurenfolders van diverse films.

c. Filmprojecten.

d. Scenario’s – niet gerealiseerd.

e. Financiële documenten.

Dit beslaat ongeveer de periode 1956–1982.

Regeling
Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen Stichting Nederlands Fonds voor de Film op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
27-06-2004
BWB-id
BWBR0016772
Versie
2004-06-27_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl