5.2.5 Financiële relatie Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang
In het geval van het verkrijgen van een subsidie of het afsluiten van een overeenkomst wordt de term financiële relatie gebruikt. In de toelichting van het nulmetingsformulier uit 2000 staat:
‘Bij de nulmeting en de eindmeting in het kader van deze regeling worden alleen opvangplaatsen geteld in kinderopvanginstellingen waar de gemeente een financiële relatie mee heeft. De opvangplaatsen die in zo’n kinderopvanginstelling worden verhuurd, tellen dus ook mee. Met een kinderopvanginstelling wordt een centrum voor buitenschoolse opvang, dagopvang of een gastouderbureau bedoeld. De financiële relatie heeft de vorm van een gemeentelijke subsidie of een overeenkomst tot het leveren van opvangplaatsen. Indien een gemeente met een instelling slechts een overeenkomst heeft gesloten ten behoeve van gemeentelijk personeel is er geen sprake van een financiële relatie.’
Op verzoek van veel gemeenten en het veld is bij circulaire van 28 maart 2002 (DJB/KO-2261421) dit begrip nader toegelicht om te bewerkstelligen dat gemeenten de inrichting van hun administratie hierop konden afstemmen:
‘de gemeente heeft een financiële relatie met een kindercentrum of instelling voor gastouderopvang, zoals bedoeld in artikel 1, lid j van de Rkb, wanneer aantoonbaar is (bijvoorbeeld door een overeenkomst of subsidiebeschikking) dat er middelen van de gemeente naar dit kindercentrum vloeien of zijn gevloeid ten behoeve van het realiseren van opvangplaatsen. Van belang hierbij is dat de financiële relatie per 31 december 2002
2 Door de latere verlenging van de Rkb naar 31 december 2003, kan 2002 hier worden vervangen door 2003, in geval er wordt gekozen voor het afrekenmoment 31 december 2003.
nog bestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval als de overeenkomst of de beschikking betrekking heeft op een aantal kindplaatsen dat per die datum gerealiseerd moet zijn’.
Het is van belang dat de accountant nagaat dat alle opvangplaatsen (in exploitatie zijnde capaciteit) van kinderopvanginstellingen, waarmee de gemeente een financiële relatie heeft, in het verantwoordingsformulier zijn opgenomen. Opvangplaatsen die met andere Rijksmiddelen worden gefinancierd, tellen volledig mee.
De meest voor de hand liggende financiële relatie is een jaarlijks terugkerende subsidie of een bedrag dat over meerdere jaren (bijvoorbeeld tot en met het einde van de Rkb-periode) beschikbaar is gesteld. Bijvoorbeeld in het geval van een jaarlijks subsidiebedrag van de gemeente aan een instelling of kindercentrum ten behoeve van de exploitatie van uitbreidingsplaatsen of ten behoeve van de exploitatie van subsidieplaatsen etc.
Er zijn echter ook varianten denkbaar waarbij de financiële relatie wel betrekking heeft op de in exploitatie zijnde opvangplaatsen, maar waarvan de daadwerkelijke betaling is gecomprimeerd in één of enkele betalingsmomenten. Te denken valt aan investeringsbijdragen bij nieuwbouw of uitbreidingen, eenmalige bijdragen ten behoeve van de huur of aankoop van een pand, waarderingssubsidies etc.
In dergelijke gevallen zal ultimo 2003 het aantal in exploitatie zijnde opvangplaatsen en koppelingen vastgesteld moeten worden; de financiële relatie echter kan al vóór 2003 zijn ontstaan.
De hoogte van de subsidie of de omvang van de uitkering die hiermee gemoeid is, dan wel het aantal instellingen/kindercentra dat hierbij betrokken is, is een beslissing die valt onder de autonomie van de gemeenten.
De financiële relatie kan ook zijn aangegaan met een overkoepelende instelling. In dat geval moet wel uit de administratie, subsidiebeschikking of overeenkomst, blijken om welke kindercentra (locatie) van deze koepelinstelling het gaat.
Bij het aantonen van een financiële relatie kan gebruik worden gemaakt van contracten, overeenkomsten, subsidiebeschikkingen, goedgekeurde begrotingen en jaarrekeningen van de gemeente (hierin zijn capaciteitsgegevens vermeld), financiële jaarverslagen of concrete overboekingsinformatie (crediteurenadministratie). Besluiten en/of (vastgestelde) nota’s van de gemeenteraad en/of B&W kunnen bijdragen aan het aantonen van inzet van gemeentelijke financiële middelen.
Zoals beschreven in hoofdstuk 2, bij de aanpassingen van de nulmeting (codes 201b en 301b), kan er gaandeweg de Rkb-periode alsnog een subsidie worden verstrekt of een overeenkomst worden gesloten met kindercentra in een gemeente, waar ten tijde van de nulmeting géén financiële relatie mee bestond. De uitbreidingsplaatsen van deze kindercentra kunnen worden meegeteld. In dat geval moet het aantal opvangplaatsen dat al aanwezig was ten tijde van de nulmeting, alsnog worden vastgesteld en door de accountant worden gecontroleerd.
Bij deze aanpassingen op de (nul)metingen was er geen financiële relatie, echter de accountant dient vast te stellen dat aan de voorwaarden, zoals beschreven onder 5.2.4 (capaciteit, in exploitatie) en aan de overige voorwaarden is voldaan.
- Regeling
- Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 29-01-2005
- BWB-id
- BWBR0016418
- Versie
- 2005-01-29_0