4. Het beleidsterrein kort samengevat 1 Voor een uitgebreide beschrijving van het beleidsterrein zij verwezen naar de hoofdstukken 2 - 9 van het rapport institutioneel onderzoek Adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel. (deel 1) Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel (periode 1945-2000)
Het decoratiestelsel
Vóór de Tweede Wereldoorlog werd elk decoratievoorstel met een voorgestelde graad van Ridder in de Orde van Oranje-Nassau of hoger voorgelegd aan de Raad van Ministers (verder te noemen `de Ministerraad'), terwijl de eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau zelfstandig door de ministeries werden afgehandeld.
In de periode 1844-1940 was het aantal toegekende civiele onderscheidingen per jaar beperkt tot circa 500. Het meeste werk lag op het terrein van de Militaire Willems-Orde (soldij-) administratie. Bij de verschillende acties, voornamelijk in het voormalig Nederlands Oost-Indië werden in die periode 2635 onderscheidingen toegekend.
Door de relatieve rust in het decoratiestelsel nam de bemoeienis van de Kanselier met het beleid steeds verder af. Zijn positie van beheerder én beleidsondersteuner werd langzamerhand een van beheerder. In 1937 werd de Kanselarij onder de verantwoordelijkheid van het zojuist opgerichte Ministerie van Algemene Zaken gebracht.
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de regeringszetel in 1940 tijdelijk verplaatst naar Londen. In verband met het grote aantal te verlenen dapperheids-onderscheidingen, alsmede het toenemende aantal civiele onderscheidingen, ontstond de behoefte aan een orgaan dat de Ministerraad zou ontlasten. Daartoe werd de Raad voor Onderscheidingen en Eerbetoon in het leven geroepen, bestaande uit de Minister-President en de Ministers van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Marine, Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, en Oorlog. Van 1945 tot november 1946 werden de taken van deze Raad waargenomen door de Interdepartementale Commissie voor Onderscheidingen en Eerbetoon.
Op 30 april 1940 kwam een - reeds voorziene - herziening tot stand van de Wet op de Militaire Willems-Orde, welke op 20 mei van dat jaar in werking trad. Een van de veranderingen was dat voortaan ook burgers voor daden van moed, beleid en trouw - in de strijd bewezen - konden worden opgenomen in de orde. Vanaf mei 1940 stelde men andere criteria voor `verdiensten voor het vaderland', waaronder vanaf dat moment begrippen als `strijdbaarheid' en `verzet' komen te vallen.
Na de bevrijding moesten degenen die geacht werden in de Tweede Wereldoorlog `fout' te zijn geweest verantwoording afleggen. In 1947 werd door de Kanselarij der Nederlandse Orden begonnen met de voorbereidende werkzaamheden om van `foute' gedecoreerde Nederlanders hun eerder toegekende onderscheiding te ontnemen. De leden der ridderorden werden in dat verband onder de loep genomen aan de hand van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden van 18 september 1946 (Stb. 1946, nr. G 261). Daartoe werden in 1948 twee adviescommissies ingesteld, één voor de civiele orden en één voor de Militaire Willems-Orde en het Ereteken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen. Zij oefenden hun taak uit op grond van een instructie die werd gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 20 september 1948, nr. 181.
Door de Kanselarij der Nederlandse Orden werden 153 dragers van de Orde van de Nederlandse Leeuw en Orde van Oranje-Nassau, de Militaire Willems-Orde en het Ereteken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen ter zuivering aan de regering voorgelegd, uiteindelijk werden van 93 personen één der orden of beiden ontnomen. Op 13 maart 1952 werden per Koninklijk Besluit nr. 27 de Adviescommissies opgeheven.
In april 1946 werd het Kapittel der Militaire Willems-Orde ingesteld. De Rijkswet op de Militaire Willems-Orde van 1815 kende al de mogelijkheid om een Kapittel in te stellen, waarvan echter tot op dat moment geen gebruik was gemaakt.
De werkzaamheden van dit kapittel hebben tussen 1946 en heden geleid tot 53 benoemingen in de orde.
In november 1946 werd de Decoratiecommissie ingesteld. Deze commissie, bestaande uit de Ministers van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Marine (deze laatste werd later opgevolgd door de Minister van Defensie), bracht adviezen uit aan de Ministerraad inzake de verlening van koninklijke onderscheidingen in de beide orden van verdienste. In de praktijk werden de taken van deze `ministeriële Decoratiecommissie' gedelegeerd aan de zogenoemde `ambtelijke Decoratiecommissie', bestaande uit de directeuren kabinet en protocol van de genoemde ministeries met hun ondersteunend apparaat.
De commissie verkreeg in november 1947 een zelfstandige rol van betekenis: elk decoratievoorstel vanaf de eremedaille in goud, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau tot en met de graad van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw werd door dit orgaan afgehandeld. Toekenning van de graden van Commandeur en hoger in beide orden behoefde de goedkeuring van de ministerraad. De eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau in zilver en brons werden zelfstandig afgehandeld door de ministeries. In de periode 1945-1995 nam het aantal toegekende onderscheidingen in deze orden per jaar toe van circa 2.000 in 1945 tot circa 5.500 in 1995. Formeel bestond de decoratiecommissie in deze opzet tot 1 mei 1996.
In 1948 stelde de regering richtlijnen vast voor het verlenen van koninklijke onderscheidingen, die in hun uiteindelijke vorm zouden bestaan uit ruim 70 aanwijzingen.
Onder invloed van een aantal factoren verstarde het decoratiestelsel in de loop van de 20e eeuw, met name na de Tweede Wereldoorlog: de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau - waarvan de eerste traditioneel-historisch de hoogste is - werden in de praktijk vervlochten tot één ridderorde van acht graden; verdienstelijke personen werden mede op basis van een combinatie van rang, functie en aantal dienstjaren gedecoreerd, waarbij deze laatste elementen in hoge mate bepalend waren voor de toe te kennen graad. Hierbij deden automatismen hun intrede. Een groot aantal eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau werd verleend voor `langdurige dienst'. Gedurende de jaren '50 nam de roep toe om het decoratiestelsel te democratiseren en met name de positie van de eremedailles nader te bezien.
In 1963 werd de commissie-Houben geïnstalleerd, die in 1965 een rapport uitbracht met daarin de volgende aanbevelingen:
- het ontvlechten van de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau (geen `automatismen', geen `langdurige dienst' als criterium),
- het afschaffen van de eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau onder het gelijktijdig instellen van een `derde Orde' voor langdurige, karaktervolle plichtsvervulling,
- het instellen van een aparte medaille voor staatsbezoeken,
- het instellen van een Kapittel.
Over het advies kwam men in de Ministerraad uiteindelijk niet tot overeenstemming, waardoor geen van de aanbevelingen werd geïmplementeerd. Daarna werden er lange tijd geen noemenswaardige pogingen ondernomen tot herziening van het decoratiestelsel.
In 1982 werd vervolgens de commissie-Portheine geïnstalleerd (vóór november 1982 genaamd de commissie-Koning), die in 1985 een rapport uitbracht met daarin de volgende aanbevelingen:
- herziening van de vigerende wet- en regelgeving, met eigentijdse toekenningscriteria, verregaande vormen van democratisering, emancipatie en gelijkstelling van beroepsgroepen, een en ander gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel,
- het niet langer verlenen van de eremedailles, Grootkruisen en Grootofficierschappen aan Nederlanders,
- het instellen van een `derde Orde' voor langdurige, loyale plichtsvervulling,
- het leggen bij de burgemeester van het primaat inzake decoratievoorstellen,
- het instellen van een Kapittel.
Eind 1985 werd een voorstel van Rijkswet aanhangig gemaakt tot wijziging van de wet op de Orde van de Nederlandse Leeuw van 1815 en de wet op de Orde van Oranje-Nassau (1892). Uiteindelijk werd dit wetsvoorstel in 1994 aanvaard met als gevolg dat:
- de eremedailles verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau en de Broedersmedaille verbonden aan de Orde van de Nederlandse Leeuw worden niet meer uitgereikt,
- instelling van een nieuwe ridderlijke (zesde) graad van Lid in de Orde van Oranje-Nassau,
- Regeling
- Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel (periode 1945-2000)
- Soort
- Archiefselectielijst
- Geldend vanaf
- 27-09-2017
- BWB-id
- BWBR0015338
- Versie
- 2017-09-27_0