wetzoeker

Voorschriften met betrekking tot detectoren Regeling detectie radioactief besmet schroot

Met betrekking tot een detector geldende voorschriften:

1. een detector moet in ieder geval gammastraling kunnen meten;

2. de detectors van een poortdetector vormen een integraal meetsysteem;

3. de horizontale afstand tussen de detectors van een poortdetector bedraagt niet meer dan 6 meter;

4. de detectielimiet van iedere afzonderlijke detector wordt bepaald met toepassing van formule:

detectielimiet = 3,39 x √ achtergrondteltempo (s–1)

5. het alarmniveau van een detector wordt ten hoogste 10 nSv.h–1 ingesteld boven de detectielimiet;

6. de detector is zodanig ingericht en ingesteld, dat het meten van een verhoogd stralingsniveau wordt aangegeven door een akoestisch of visueel signaal;

7. degene die de milieubelastende activiteit verricht, laat minimaal eenmaal per jaar de aanwezige detectoren testen door een deskundig bedrijf op het voldoen aan het onder 6 gestelde voorschrift, waarbij is verzekerd dat een toename van het omgevingsdosisequivalenttempo op enig punt van het oppervlak van een detector met 10 nSv.h–1, veroorzaakt door een stilstaande onafgeschermde Cs-137 bron, ertoe leidt dat het akoestisch of visueel signaal wordt gegeven;

8. indien een afwijking wordt geconstateerd bij de in het voorschrift 7 bedoelde testmeting, zorgt degene die de milieubelastende activiteit verricht, ervoor dat deze zo spoedig mogelijk ongedaan wordt gemaakt;

9. van de bepaling van de detectielimieten en van de testmetingen worden rapportages opgesteld.

Regeling
Regeling detectie radioactief besmet schroot
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBR0014983
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl