wetzoeker

Artikel 10 Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

Rechtsbescherming

1 Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

2 Indien degene die meent dat te zijnen nadeel is gehandeld in strijd met artikel 2 in rechte feiten aanvoert die kunnen doen vermoeden dat is nagelaten doeltreffende aanpassingen te treffen, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze bepaling is gehandeld.

3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES en op beroepen ingesteld door belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 7, eerste lid, derde zin, van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Regeling
Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
Afkortingen
WGBH/CZ, WGBHCZ, WGBHZ
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBR0014915
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl