wetzoeker

Relatie sociale context en verificatieonderzoek Beleidsregels verstrekken van informatie over verificatieonderzoeken in India en Pakistan

20. De sociaal-culturele omstandigheden in India vormen een belangrijke reden voor het feit dat verificatierapporten in legalisatiezaken niet openbaar worden gemaakt.

21. Waar de (bescherming van de) eer van de collectiviteit de leidraad vormt voor het dagelijks leven, betekent het naar buiten brengen van informatie aan een persoon die buiten deze collectiviteit valt, het doorbreken van die leidraad. Hierbij kan men denken aan het samenwerken met de Nederlandse autoriteiten in een verificatieonderzoek als hiervoor omschreven. Dit wordt door de collectiviteit als bedreigend ervaren, hetgeen ertoe kan leiden dat er druk, represailles of geweld wordt gebruikt tegen de persoon die de in de cultuur verweven gedragscode overtreedt. Als aanvullend 'negatief element' kan het feit gelden dat het verstrekken van informatie aan de onderzoeker inhoudelijk als negatief wordt ervaren door de aanvrager: deze ziet op basis van die informatie zijn kansen op bijv. huwelijk of verblijfsvergunning in rook opgaan. Daarmee verdwijnt evenzeer de mogelijkheid om de eer, status of financiële positie van de collectiviteit waarvan hij/zij deel uitmaakt te vergroten.

Gegeven de eerdergenoemde bijzondere, meer kwetsbare, positie van vrouwen kunnen de druk, represailles of geweldsuitingen jegens hen een nog serieuzer karakter dragen.

22. Door het bekend worden van de identiteit van de bij het verificatieonderzoek betrokken informanten, zoals familieleden, bestaat het gevaar dat zij in negatieve zin worden benaderd door of namens de legalisatieaanvrager(s).

Mocht op enig moment de naam van een informant toch openbaar worden, dan zou dit gezien de eerder geschetste sociale context tot zeer gevaarlijke situaties kunnen leiden, waarbij een dodelijke afloop niet ondenkbaar is. Zelfs niet als de informant een naaste bloedverwant is. Bescherming door de lokale autoriteiten is zelden toereikend, maar vaker nog geheel afwezig.

23. Raadslieden van aanvragers stellen nogal eens dat, in een gemeenschap waar men reeds alles van elkaar weet, het geen nut heeft medewerking aan verificatieonderzoeken geheim te houden. Deze stelling gaat evenwel voorbij aan het feit dat de aard van de medewerking en de mededelingen gedaan tegenover een vertrouwenspersoon juist een uitzondering vormen op het collectieve weten van een gemeenschap. Als een dergelijk medewerken al geschiedt (niet iedereen wil meewerken) en bekend wordt, zal de gemeenschap er van uitgaan dat betrokkene de collectiviteit heeft beschermd. Openbaarmaking van de inhoud van de medewerking kan verstrekkende gevolgen voor betrokkenen hebben als er bewust of onbewust negatieve uitspraken zijn gedaan. 'Anonimisering' van namen, functies e.d. biedt geen soelaas: door de aard van de mededelingen zal dikwijls de bron kunnen worden achterhaald. In een dergelijk geval leidt dit tot dezelfde consequenties als wanneer direct naam en toenaam bekend zouden worden gesteld.

24. Genoemde druk, represailles en geweld kunnen zich ook keren tegen de onderzoeker of tegen personen die uit hoofde van hun functie informatie verstrekken aan de onderzoeker. Men denke dan aan ambtenaren van de burgerlijke stand ('registrars'), ziekenhuismedewerkers, schoolfunctionarissen e.d. Dat deze personen dienen te worden afgeschermd spreekt derhalve voor zich. Zodra hun identiteit bekend wordt, worden zij kwetsbaar voor omkoping, bedreiging, intimidatie of vormen van lichamelijk geweld. Zeker indien hun medewerking leidt tot een resultaat dat de aanvrager niet welgevallig is. Bovendien zou het moeten vrijgeven van de identiteit van de vertrouwenspersonen of onderzoekers ertoe kunnen leiden dat deze niet meer bereid zijn om een verificatieonderzoek voor de Nederlandse vertegenwoordiging te verrichten. Uit informatie verkregen van vertrouwensadvocaten in India is gebleken dat zich diverse gevallen hebben voorgedaan waarin de onderzoeker of de persoon die op welke manier dan ook aan het verificatieonderzoek heeft meegewerkt met de dood is bedreigd, is lastiggevallen of getreiterd gedurende en na het uitvoeren van het verificatieonderzoek.

25. Het is, op basis van het bovenstaande, noodzaak dat medewerking aan een verificatieonderzoek geschiedt op basis van strikte wederzijdse vertrouwelijkheid. Dit betekent dat de identiteit van de onderzoeker, evenals de identiteit van de persoon die op welke wijze dan ook aan het verificatieonderzoek meewerkt, niet openbaar zal worden gemaakt. Uit informatie van vertrouwenspersonen in India blijkt dat een aanvankelijke weigering om mee te werken aan een verificatieonderzoek kan omslaan in medewerking, wanneer de aangehaalde strikte wederzijdse vertrouwelijkheid kan worden toegezegd. Het is duidelijk dat om de kwaliteit van het onderzoek te waarborgen deze vertrouwelijkheid dient te blijven worden gegarandeerd. Personen die meewerken aan het verificatieonderzoek krijgen de garantie dat hun gegevens niet openbaar gemaakt zullen worden.

26. Niet alleen de bescherming van lijf en leden van alle aan het verificatieonderzoek meewerkende personen is gebaat bij geheimhouding. Ook de kwaliteit en objectiviteit van verificatieonderzoeken in de toekomst is in het geding. De eventuele mogelijkheid dat er druk, represailles en geweld tegen een persoon worden uitgeoefend, naar aanleiding van het openbaar worden van de medewerking van betrokkene aan een verificatieonderzoek, zal de bereidheid in algemene zin om aan een dergelijk onderzoek mee te werken aanzienlijk verkleinen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat inzage in bepaalde registers niet meer mogelijk is, hetgeen de aanvrager zelf in een slechtere positie zou brengen: er is immers bij voorbaat twijfel ten aanzien van de juistheid en rechtsgeldigheid van het door hem aangeboden document en op de aanvrager rust de last om deze twijfel door middel van gegevens uit objectieve bronnen - dus ook dergelijke registers - weg te nemen. Bescherming van de kwaliteit van het onderzoek is derhalve evenzeer in het belang van de aanvrager en een en ander wordt noodzakelijkerwijs mede bereikt door geheimhouding van bronnen en stukken met betrekking tot het verificatieonderzoek.

27. Een ander, toekomstgericht, belang is gemoeid met het vertrouwelijk houden van sommige specifieke methoden en technieken welke worden aangewend om vast te stellen of de inhoud van een ter legalisatie aangeboden document wel strookt met de werkelijkheid en of het bewuste document naar lokaal recht juist is. Indien dergelijke methoden en technieken van onderzoek bekend zouden worden, zou de betrouwbaarheid van de (toekomstige) onderzoeken die hiermee worden uitgevoerd afnemen of zelfs onbruikbaar worden. Het zou immers voor een aanvrager mogelijk worden om op het onderzoek te anticiperen door bijvoorbeeld registers aan te (laten) passen of potentiële informanten te instrueren.

28. Het bovenstaande geeft nog eens aan hoe belangrijk de zogenoemde 'social investigation' is voor een goed en betrouwbaar onderzoek.

Regeling
Beleidsregels verstrekken van informatie over verificatieonderzoeken in India en Pakistan
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
19-07-2002
BWB-id
BWBR0013833
Versie
2002-07-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl