wetzoeker

Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2013
Afkortingen
VrcWtlvhz
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0013490
Versie
2013-01-01_0
SHA-256 bron
9b0a16ee657f237e380c035bc04107f418fc8a1c0983ccc2c3975b85c67a21e9

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (10)
  1. Artikel I
  2. Artikel 1
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel II
  10. Artikel III

Artikel I

Hoofdstuk I — Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding;

b. arrondissementen: de arrondissementen, bedoeld in de Wet op de rechterlijke indeling;

c. de zorgvuldigheidseisen: de zorgvuldigheidseisen, omschreven in artikel 2 van de wet.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 2

1 Er zijn vijf regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 3 van de wet.

2 De commissies zijn gevestigd te Groningen, Arnhem, Haarlem, Rijswijk en 's-Hertogenbosch.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 3

Tot toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is bevoegd:

a. de commissie te Groningen indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincies Groningen, Friesland of Drenthe;

b. de commissie te Arnhem indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincies Overijssel, Gelderland, Flevoland of Utrecht;

c. de commissie te Haarlem indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincie Noord-Holland;

d. de commissie te Rijswijk indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincies Zuid-Holland of Zeeland;

e. de commissie te 's-Hertogenbosch indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincies Noord-Brabant of Limburg.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 4

1 Op de voordracht van de voorzitters wijzen Onze Ministers een coördinerend voorzitter en een plaatsvervangend coördinerend voorzitter aan.

2 De coördinerend voorzitter of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend coördinerend voorzitter heeft in ieder geval tot taak:

a. het initiëren en voorzitten van overleg tussen de voorzitters;

b. het zorgdragen, na overleg met de voorzitters, voor het opstellen van richtlijnen met betrekking tot de voorlichtingsactiviteiten;

c. het vertegenwoordigen van de voorzitters;

d. het geven van aanwijzingen aan de algemeen secretaris, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 5

1 De voorzitters stellen richtlijnen vast voor de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen en de daarbij te volgen procedure.

2 Deze richtlijnen bevatten in ieder geval regels omtrent:

a. de wijze waarop de gemelde gevallen aan de zorgvuldigheidseisen worden getoetst;

b. de gevallen waarin de behandelende arts in ieder geval wordt gehoord;

c. de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, van de wet worden vastgelegd.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 6

1 Onze Ministers wijzen een algemeen secretaris aan.

2 De algemeen secretaris heeft in ieder geval tot taak:

a. het coördineren van de functionele en beheersmatige werkzaamheden van de secretarissen;

b. het coördineren van het opstellen van het jaarverslag;

c. het initiëren van overleg tussen de secretarissen;

d. het verstrekken van alle gevraagde inlichtingen aan Onze Ministers;

e. het vertegenwoordigen van de secretarissen.

3 De voorzitters, plaatsvervangend voorzitters en de secretarissen van de commissies geven met het oog op de taken, bedoeld in het tweede lid, aan de algemeen secretaris alle gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk II — Commissies

Artikel 7

1 Onze Ministers winnen het gevoelen van de desbetreffende commissie in met betrekking tot een overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet, naar verwachting te benoemen voorzitter, lid of plaatsvervangend lid.

2 Indien de benoeming een arts betreft wordt tevens het gevoelen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst ingewonnen.

Artikel II

De Regeling regionale toetsingscommissies euthanasie wordt ingetrokken.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking treedt.