Artikel 8.4 Vissersvaartuigenbesluit 2002
Noodprocedures, appèls en oefeningen
De bemanning is voldoende geoefend in het uitoefenen van haar taken gedurende noodsituaties. Deze oefeningen zullen ten minste, voorzover van toepassing, bevatten:
a. verschillende noodsituaties die zich kunnen voordoen zoals aanvaringen, brand en vergaan;
b. verschillende reddingsmiddelen die gewoonlijk op een vaartuig aanwezig zijn;
c. noodzaak om zich aan de algemeen geldende regels van overleven te houden;
d. waarde van oefenen en appèls;
e. de noodzaak om te allen tijde voorbereid te zijn op een noodsituatie en voortdurend alert te zijn op:
1°. de informatie op de alarmrol, in het bijzonder:
– de specifieke taken in een noodsituatie voor elke opvarende,
– de inschepingsplaats voor elke opvarende, en
– de signalen die aangeven dat men zich naar de inschepingsplaats dan wel het brandstation dient te begeven;
2°. de plaats waar de persoonlijke en de reserve reddingsgordels zich bevinden;
3°. de plaatsen waar men een brandalarm kan activeren;
4°. de mogelijkheden tot ontsnapping;
5°. de gevolgen van paniek;
f. maatregelen die genomen moeten worden om personen met een helikopter op te hijsen van het eigen vaartuig of uit een groepsreddingsmiddel;
g. maatregelen die genomen moeten worden indien men zich naar de inschepingsplaats dient te begeven, waaronder:
1°. aantrekken van geschikte kleding,
2°. aantrekken van een reddingsgordel, en
3°. het verzamelen van extra bescherming, bijvoorbeeld dekens indien de tijd dit toelaat;
h. maatregelen die genomen moeten worden bij «schip verlaten», waaronder:
1°. hoe men zich vanaf het vaartuig en vanuit het water kan inschepen in een groepsreddingsmiddel, en
2°. hoe men vanaf een hoogte in de zee moet springen met een zo gering mogelijke kans op letsel bij het in het water komen;
i. maatregelen die men dient te nemen indien men zich in het water bevindt, zoals:
1°. hoe men overleeft in situaties van:
– brand of olie op het water;
– koude omstandigheden, en
– wateren waarin haaien voorkomen;
2°. hoe een gekapseisd groepsreddingsmiddel opgericht kan worden;
j. maatregelen die genomen dienen te worden indien men zich in een groepsreddingsmiddel bevindt, zoals:
1°. een groepsreddingsmiddel snel van het vaartuig vrij zien te krijgen;
2°. bescherming tegen kou of extreme warmte;
3°. gebruik van een zee-anker;
4°. houden van een uitkijk;
5°. uit de zee halen van en het zorgen voor overlevenden;
6°. het zorg dragen dat een groepsreddingsmiddel door derden opgespoord kan worden;
7°. controleren en juist gebruiken van de beschikbare uitrusting van een groepsreddingsmiddel, en
8°. het voorzover mogelijk in de buurt blijven van het vaartuig;
k. de belangrijkste gevaren voor overlevenden en de algemeen geldende regels voor overleven, waaronder:
1°. voorzorgsmaatregelen die genomen dienen te worden in koude omstandigheden;
2°. voorzorgsmaatregelen die genomen dienen te worden in tropische omstandigheden;
3°. blootstelling aan zon, wind, regen en zee;
4°. het belang van het dragen van geschikte kleding;
5°. beschermende maatregelen in een groepsreddingsmiddel;
6°. gevolgen van onderdompeling in het water en onderkoeling;
7°. het belang van het behoud van lichaamsvloeistoffen;
8°. bescherming tegen zeeziekte;
9°. juist gebruik van drinkwater en voedsel;
10°. gevolgen van het drinken van zeewater;
11°. beschikbare middelen om opsporing door derden te vergroten;
12°. het belang van moed houden;
l. maatregelen die genomen dienen te worden bij het blussen van brand, zoals:
1°. het gebruik van brandslangen met verschillende spuitstukken;
2°. het gebruik van draagbare brandblussers;
3°. kennis hebben van de plaats van branddeuren;
4°. het gebruik van ademhalingsapparatuur.
- Regeling
- Vissersvaartuigenbesluit 2002
- Soort
- Rijks-KB
- Geldend vanaf
- 01-01-2017
- BWB-id
- BWBR0013342
- Versie
- 2017-01-01_0