wetzoeker

Griffierechten Inwerkingtreding EG-Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke- en handelszaken

Artikel 52 van de verordening bepaalt dat in de aangezochte lidstaat ter zake van de procedure tot verlening van een verklaring van uitvoerbaarheid geen belasting, recht of heffing, evenredig aan het geldelijke belang van de zaak mag worden geheven. In de procedure om een verlof tot tenuitvoerlegging te krijgen, dient eerst een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te worden ingediend. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) geldt hiervoor een vast bedrag voor het griffierecht, hetgeen overeenstemt met artikel 52 van de verordening. Voor het rechtsmiddel bij de rechtbank en voor cassatie zou, indien uit de verordening niet anders voortvloeit, ingevolge artikel 2, tweede lid, onder c en d, respectievelijk derde lid, onder c en d, Wtbz echter een griffierecht worden geheven dat afhankelijk is van het geldelijke belang van de zaak. Om strijd met artikel 52 van de verordening te voorkomen zal de Uitvoeringswet EG-executieverordening bepalen dat voor de toepassing van de Wtbz de vordering wordt geacht geen eis tot betaling van een bepaalde geldsom te zijn. Indien het rechtsmiddel bij de rechtbank wordt ingesteld, zal derhalve artikel 2, tweede lid, onder a, b of e, van de Wtbz van toepassing zijn. Indien cassatie wordt ingesteld, zal artikel 2, derde lid, onder a, b of e van de Wtbz van toepassing zijn. Tot de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet EG-executieverordening vloeit uit de verhouding tussen de Verordening en de Wtbz hetzelfde voort.

Regeling
Inwerkingtreding EG-Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke- en handelszaken
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
06-02-2002
BWB-id
BWBR0013335
Versie
2002-02-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl