wetzoeker

Rechtsmiddelen Inwerkingtreding EG-Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke- en handelszaken

Elke partij kan ingevolge artikel 43, eerste lid, van de verordening een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid. Onder 'partij' worden alle in het certificaat daartoe aangemerkte personen verstaan. Alle andere belanghebbenden kunnen een executiegeschil voeren op grond van artikel 438 Rv.

Het in artikel 43 van de verordening bedoelde rechtsmiddel dient in Nederland zowel door de verweerder als door de verzoeker te worden ingediend bij de rechtbank. In bijlage III van de verordening staat nog vermeld dat de verzoeker zijn rechtsmiddel dient in te stellen bij het gerechtshof. Uit een oogpunt van efficiency ligt het echter niet voor de hand om op basis van de vraag welke partij het in artikel 43 van de verordening bedoelde rechtsmiddel instelt, onderscheid te maken in het rechterlijk college waar dit rechtsmiddel aanhangig kan worden gemaakt. De Uitvoeringswet EG-executieverordening gaat daarbij uit van de rechtbank. Aan de Europese Commissie is reeds verzocht bijlage III van de verordening hieraan aan te passen. Aansluiting bij artikel 4 van de Uitvoeringswet 1972 brengt mee dat de voorzieningenrechter van de rechtbank tot wie het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging werd gericht, kennis neemt van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 43 van de verordening.

Een rechtsmiddel tegen de verklaring van uitvoerbaarheid moet binnen één maand na de betekening daarvan worden ingesteld. Deze termijn wordt verlengd tot twee maanden, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing aan de partij in persoon of aan haar woonplaats is betekend indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd woonplaats heeft in een andere lidstaat dan die waar de verklaring van uitvoerbaarheid is gegeven. Verlenging van de termijn op grond van de afstand is niet toegestaan ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de verordening.

Aansluiting bij artikel 6, eerste lid van de Uitvoeringswet 1972, brengt mee dat de termijn voor de verzoeker voor het instellen van een rechtsmiddel een maand bedraagt, te rekenen vanaf de dag van de beslissing waarbij het verlof is geweigerd. Zulks zal ook in de Uitvoeringswet EG-executieverordening worden bepaald.

De behandeling van het rechtsmiddel geschiedt ingevolge artikel 43, derde lid, van de verordening volgens de regels van de procedure op tegenspraak. Hieruit vloeit voort dat de dagvaardingsprocedure moet worden gevolgd. In de Uitvoeringswet EG-executieverordening zal expliciet worden bepaald dat de procedure in eerste aanleg onderscheidenlijk in cassatie, wordt ingeleid door een dagvaarding.

Tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing kunnen slechts de in bijlage IV van de verordening genoemde middelen worden aangewend (artikel 44 verordening). Voor Nederland is dit beroep in cassatie bij de Hoge Raad. Wat betreft de termijn waarbinnen dit beroep moet worden ingesteld, kan artikel 5 van de Uitvoeringswet 1972 overeenkomstig worden toegepast. Het beroep in cassatie dient derhalve binnen een maand na de dagtekening van het op het rechtsmiddel gewezen vonnis van de rechtbank worden ingesteld.

Het gerecht dat oordeelt over het rechtsmiddel kan de verklaring van uitvoerbaarheid slechts weigeren of intrekken op grond van een van de in de artikelen 34 en 35 gegeven gronden. In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing (artikel 45, tweede lid, van de verordening).

Regeling
Inwerkingtreding EG-Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke- en handelszaken
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
06-02-2002
BWB-id
BWBR0013335
Versie
2002-02-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl