wetzoeker

Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur)

Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-03-2004
Afkortingen
WWbp 2002
Rechtsgebied
Belastingrecht, Inkomstenbelasting
Ministerie
Algemene Zaken
BWB-id
BWBR0013187
Versie
2004-03-01_0
SHA-256 bron
5d2943d5b4c84766269754fbce292edccd960bb20d5c97b536b2fa21c3b8c576

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (10)
  1. Artikel I
  2. Artikel II
  3. Artikel III
  4. Artikel IV
  5. Artikel V
  6. Artikel VI
  7. Artikel VII
  8. Artikel VIIa
  9. Artikel VIIb
  10. Artikel VIII

Artikel I

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel II

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Artikel III

Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel IV

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel V

Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

Artikel VI

1 Met betrekking tot een onderneming die valt onder de werkingssfeer van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001:

a. wordt voor investeringen in films waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002 het in artikel 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde percentage van de filminvesteringsaftrek, vervangen door 25 en de verklaring, bedoeld in artikel 3.42b, eerste lid, van die wet geacht te zijn verstrekt;

b. vindt voor desinvesteringen van investeringen waarvoor 25 percent filminvesteringsaftrek is genoten, artikel 3.47a, eerste lid, van laatstgenoemde wet geen toepassing.

2 Indien in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002 door een participant in een samenwerkingsverband als omschreven in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, tweede lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is genoten met betrekking tot investeringen in films waarvan de voortbrengingskosten niet in belangrijke mate zijn gemaakt in die periode, wordt deze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor de toepassing van artikel 3.47a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als filminvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.42b van die wet. Het bedrag van de desinvesteringsbijtelling, bedoeld in artikel 3.47a van de laatstgenoemde wet, kan in dat geval niet meer belopen dan het totaal van de bedragen die terzake van de investering als kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en filminvesteringsaftrek in aanmerking zijn genomen.

Artikel VII

1 Voor toepassing over het kalenderjaar 2002 wordt het in de laatste kolom van de in artikel 3.41, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als tweede vermelde percentage verhoogd met 1,5 procentpunten.

2 Voor toepassing over het kalenderjaar 2002 worden in artikel 3.76, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, de in de tabel opgenomen bedragen aan zelfstandigenaftrek verhoogd met € 152.

Artikel VIIa

Artikel 8c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vindt ten aanzien van een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting aan wie met betrekking tot in dat artikel bedoelde rentebedragen of royaltybedragen bij het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2000, nr. RTB2000/3227M, zekerheid is verleend tot en met 31 december 2005 over de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals deze op 31 maart 2001 luidde, geen toepassing zolang, doch uiterlijk tot en met 31 december 2005, die belastingplichtige handelt overeenkomstig de aan die verstrekte zekerheid verbonden voorwaarden.

Artikel VIIb

Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid).

Artikel VIII

1 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

2 In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel K, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

3 In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdelen A tot en met IA, onderdeel J, derde lid, en onderdelen L en M, artikel II, onderdeel B, en artikel IV, onderdeel B, tweede lid, en artikel VI (overgangsbepaling in verband met artikel I, onderdeel F) in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat zo nodig terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 2002.

4 Artikel I, onderdelen IB en L, vindt toepassing nadat artikel 10.1 van de Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2002 is toegepast.

5 De wijzigingen ingevolge artikel III, artikel IV, onderdeel D, eerste lid, E, F, G, tweede lid, GA en H, met betrekking tot het daarin opgenomen onderdeel d van artikel 13d, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zijn voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.

6 De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdeel G, eerste lid, en H, met betrekking tot het daarin opgenomen onderdeel c van artikel 13d, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zijn voor het eerst van toepassing op vervreemdingen van deelnemingen na 31 december 2001.

7 Artikel IV, onderdeel LA en M, tweede lid, werkt terug tot en met 1 januari 2001.

8 Artikel IV, onderdeel O, vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002.

9 De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdeel P, tweede en derde lid, vinden op verzoek van de belastingplichtige toepassing met ingang van 1 januari 2001.

10 De wijzigingen ingevolge artikel V vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot besluiten tot het verstrekken van inlichtingen die worden genomen na 31 december 2001.