wetzoeker

B.76 — Bepaling sterftekans bij één uitkering op twee levens Vragen en antwoorden Brede herwaardering (derde tranche)

Bepaling sterftekans bij één uitkering op twee levens

Vraag

In een overeenkomst is de navolgende periodieke uitkering bedongen: verzekerd is een periodieke uitkering ingaande 1 januari 1999 lopende tot 1 januari 2010 of eerder eindigend bij het laatste overlijden van verzekerden A en B (echtgenote van A).

Hoe moet de sterftekans worden bepaald, ter beoordeling of voldaan is aan het onzekerheidscriterium waar een periodieke uitkering aan moet voldoen?

Antwoord

De periodieke uitkering bestaat voor de bepaling van het onzekerheidscriterium uit een periodieke uitkering die toekomt aan A en een periodieke uitkering die toekomt zijn echtgenote. Iedere uitkering op zich dient te voldoen aan het onzekerheidsvereiste. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen bepaald te worden over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2010, uitgaande van de meest recente sterftetabellen. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de echtgenote pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven.

Regeling
Vragen en antwoorden Brede herwaardering (derde tranche)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
29-11-2001
BWB-id
BWBR0013055
Versie
2001-11-29_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl