wetzoeker

Bevordering naar hogere functie Gewijzigde opzet van de carrièrepatronen voor het onderwijs ondersteunend personeel (OOP) en de aanpassingen in het RPBO in verband met de uniformering van de systematiek van de carrièrepatronen per 1 maart 2001

Art. I-P14

1. Behoudens het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in een functie met een hogere maximumsalaris of een zelfde maximumsalaris maar gunstiger carrièrepatroon vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen I-P8 en I-P9 met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene voor wie een functie met een hoger maximumsalaris ter beschikking komt uitsluitend ten gevolge van de grootte van de instelling. In dat geval wordt de bezoldiging vastgesteld op het naasthogere salarisbedrag van het salarisbedrag waarnaar hij bezoldigd werd in die vorige salarisschaal. Indien de uitkomst hiervan leidt tot een lager salarisbedrag dan hij in zijn vorige salarisschaal zou gaan genieten, dan wordt de bezoldiging vastgesteld op het naasthogere salarisbedrag van het salarisbedrag dat hij in zijn vorige salarisschaal zou gaan genieten.

3. Vervalt met ingang van 1 januari 2001.

Toelichting

Het tweede lid heeft betrekking op de situatie dat door de wijziging van de grootte van de school een betrokkene binnen dezelfde functie aanspraak krijgt op een salarisschaal met een hoger maximumsalaris dan wel dezelfde salarisschaal maar met een hoger maximumsalaris in verbandmet de grotescholenuitloop. Op het moment dat zich dat voordoet, altijd met ingang 1 augustus van een jaar, gaat voor betrokkene die salarisschaal met dat hoger maximumsalaris gelden. In dat geval is er geen sprake van een bevordering of een benoeming in een andere functie. Betrokkene moet echter wel vanaf 1 augustus bezoldigd worden volgens de nieuwe salarisschaal. In dat geval wordt het salaris van de betrokkene in de nieuwe salarisschaal vastgesteld op het naasthogere salarisbedrag. Door het salaris op deze wijze vast te stellen is voldaan aan de 1 augustusperiodiek. Mocht echter blijken dat betrokkene volgens de salarisschaal die tot 1 augustus op hem van toepassing is, op 1 augustus van het betreffende jaar voor hem een hoger salarisbedrag zou zijn gaan gelden, dan vindt de bezoldiging in de nieuwe salarisschaal plaats naar dat naasthogere salarisbedrag.

Voorbeeld

Betrokkene wordt op 31 juli van een jaar bezoldigd naar salarisschaal AA, salarisnummer 7 (f 5759,-, loonpeil 1 maart 2001). Op 1 augustus van het betreffende jaar gaat voor hem salarisschaal AB gelden. Het salaris wordt op 1 augustus van dat betreffende jaar vastgesteld volgens salarisschaal AB, salarisnummer 7 (f 5858,-). In salarisschaal AA, salarisnummer 8 zou op 1 augustus van dat jaar een hoger salarisbedrag gaan gelden (f 5906,-). Aangezien dit salarisbedrag hoger is dan het salarisbedrag dat in eerste instantie voor hem is vastgesteld, wordt het salaris van betrokkene op 1 augustus van het desbetreffende jaar alsnog in salarisschaal AB vastgesteld op salarisnummer 8 (f 6062,-, namelijk het naasthogere bedrag van f 5906,-).

Regeling
Gewijzigde opzet van de carrièrepatronen voor het onderwijs ondersteunend personeel (OOP) en de aanpassingen in het RPBO in verband met de uniformering van de systematiek van de carrièrepatronen per 1 maart 2001
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
19-09-2001
BWB-id
BWBR0012797
Versie
2001-09-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl