wetzoeker

Inschaling bij benoeming na voorafgaande onderwijsfunctie (deel 1) Gewijzigde opzet van de carrièrepatronen voor het onderwijs ondersteunend personeel (OOP) en de aanpassingen in het RPBO in verband met de uniformering van de systematiek van de carrièrepatronen per 1 maart 2001

Art. I-P8

1. Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een lager maximumsalaris hetzij een functie met een zelfde maximumsalaris met een zelfde of ongunstiger carrièrepatroon dan die behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt in het carrièrepatroon van de nieuwe functie vastgesteld op hetzelfde salarisbedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds tenminste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover de bij die vorige functie behorende salarisschaal dit mogelijk maakt, het salaris vastgesteld op een salarisbedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

3. Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in een functie met een hoger maximumsalaris of een zelfde maximumsalaris maar met een gunstiger carrièrepatroon wordt in het daarbij behorende carrièrepatroon vastgesteld op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het salarisbedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

4. Indien de in het derde lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds tenminste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon dit mogelijk maakt, het salaris vastgesteld op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het salarisbedrag dat volgens het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

5. ongewijzigd

6. Ongewijzigd met dien verstande dat onder b voor: de hoogst mogelijke maximumschaal, dezelfde maximumschaal en die gelijke maximumschaal, gelezen moet worden: het hoogst mogelijke maximumsalaris, hetzelfde maximumsalaris en dat gelijke maximumsalaris.

7. Ongewijzigd met dien verstande dat onder a voor: dezelfde maximumschaal en maximumschalen en de hoogste maximumschaal, gelezen moet worden: hetzelfde maximumsalaris en maximumsalarissen en het hoogste maximumsalaris.

8. Vaststelling van het salaris bij een benoeming als bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid mag er niet toe leiden dat het vastgestelde salarisbedrag hoger is dan het maximumsalaris van de desbetreffende functie noch lager dan het laagste bedrag van de salarisschaal. Als het salaris dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot hoger is dan het maximumsalaris in de bij zijn functie behorende salarisschaal wordt zijn salaris vastgesteld op dat maximumsalaris.

Als het salarisbedrag dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot niet voorkomt in de salarisschaal dat behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere salarisbedrag in dat carrièrepatroon.

Toelichting

Algemeen

In het geval een betrokkene voor 1 maart 2001 voor het laatst ten minste 60 dagen werkzaam is geweest in een leraarsfunctie vindt de inpassing plaats nadat het laatstgenoten salaris is vastgesteld via de conversietabellen (zie artikel V-P17 van het Rpbo en de daarbij behorende bijlage I-H) eventueel met in achtneming van het zesde lid van dit artikel.

Eerste lid

De inpassing volgens het 1e lid wordt toegepast als een betrokkene in één en hetzelfde schooljaar voor meer dan 60 werkdagen (zie vijfde lid) werkzaam is geweest in een functie met een zelfde maximumsalaris met een zelfde of ongunstiger carrièrepatroon dan wel een functie met een lager maximumsalaris en in dat zelfde schooljaar opnieuw wordt benoemd in een functie met een zelfde maximumsalaris met een zelfde of ongunstiger carrièrepatroon dan wel een functie met een lager maximumsalaris. De inpassing vindt dan plaats op hetzelfde salarisbedrag als dat hij in de voorafgaande functie in dat zelfde schooljaar reeds aan salaris heeft genoten. Als dat salarisbedrag van de voorafgaande functie niet terug te vinden is in het carrièrepatroon van de nieuwe functie dan vindt de inpassing plaats op de naasthogere salarisbedrag van dat carrièrepatroon (zie achtste lid, laatste zin).

In de situatie dat betrokkene in het betreffende schooljaar nog geen 60 dagen werkzaam is geweest vindt de inpassing plaats vanuit het schooljaar waarin betrokkene voor het laatst 60 dagen werkzaam is geweest (zie tweede lid).

Tweede lid

De inpassing volgens het 2e lid wordt toegepast als een betrokkene in het schooljaar waarin hij wordt benoemd niet dan wel nog geen 60 dagen werkzaam is geweest. Voor de inpassing wordt dan gekeken naar het schooljaar waarin hij voor het laatst 60 dagen werkzaam is geweest. Daarnaast wordt vastgesteld welk carrièrepatroon in het betreffende schooljaar van toepassing was en naar welk salarisnummer het salaris werd vastgesteld in dat carrièrepatroon. Volgens dat carrièrepatroon krijgt betrokkene een periodieke verhoging. Als betrokkene wordt benoemd in dezelfde functie met hetzelfde carrièrepatroon dan is het nieuw vastgestelde salarisnummer de positie waarnaar het salaris wordt vastgesteld. Is betrokkene werkzaam geweest in een betrekking met een zelfde maximumsalaris dan wel in een functie met een lager maximumsalaris en na de toepassing van de periodiekverhoging het dan vastgestelde salarisbedrag niet voorkomt in het carrièrepatroon van de nieuwe functie dan vindt de inpassing plaats op de naasthogere salarisbedrag van dat carrièrepatroon. Dit is geregeld in de laatste zin van het 8e lid van dit artikel.

Indien er sprake is van meerdere functies dient rekening gehouden te worden met het gestelde in het 6e lid van dit artikel.

Derde lid

De inpassing volgens het 3e lid wordt toegepast als een betrokkene in één en hetzelfde schooljaar tenminste 60 werkdagen werkzaam is geweest in een functie met een lager maximumsalaris en in datzelfde schooljaar wordt benoemd in een functie met een hoger of zelfde maximumsalaris maar gunstiger carrièrepatroon. Van een hoger maximumsalaris is ook sprake als het een functie betreft waarvoor de grotescholenuitloop geldt. De inpassing in het nieuwe carrièrepatroon vindt plaats op het naasthogere salarisbedrag dan dat hij in die voorafgaande functie in datzelfde schooljaar aan salaris heeft genoten. Met de naasthogere inpassing is invulling gegeven aan de zogenaamde bevorderingperiodiek.

Vierde lid

Regeling
Gewijzigde opzet van de carrièrepatronen voor het onderwijs ondersteunend personeel (OOP) en de aanpassingen in het RPBO in verband met de uniformering van de systematiek van de carrièrepatronen per 1 maart 2001
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
19-09-2001
BWB-id
BWBR0012797
Versie
2001-09-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl