wetzoeker

2.5.2 — Derdelands minderjarige (voor)kinderen van ouders met een afgeleid verblijfsrecht op grond artikel 20 VWEU Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Derdelands minderjarige (voor)kinderen van ouders met een afgeleid verblijfsrecht op grond artikel 20 VWEU

Een derdelands (voor)kind heeft in ieder geval rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij:

• minderjarig is;

• het biologische of juridische kind is van een derdelands ouder met een verblijfsrecht of een faciliterend visum op grond van 20 VWEU;

• met deze ouder familieleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM;

• zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen dan wel verklaringen ingeval hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;

• zodanig afhankelijk is van zijn derdelands ouder dat het minderjarige Nederlandse kind, bij wie de derdelands ouder verblijf heeft, de Europese Unie moet verlaten als hem het verblijfsrecht wordt geweigerd; en

• een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder heeft overgelegd als bedoeld in paragraaf B7/3.2.3 Vc.

De regels in paragraaf B10/2.5 Vc die zien op ‘identiteit en nationaliteit’, ‘minderjarigheid’ en ‘zodanige afhankelijkheid’ zijn van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Regeling
Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
Afkortingen
Vc
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
11-09-2026
BWB-id
BWBR0012289
Versie
2026-09-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl