wetzoeker

3.2.3 — Ontvankelijkheidsprocedure Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Ontvankelijkheidsprocedure

Zodra is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, wordt als eerst beoordeeld of er een concrete aanwijzing is dat een van de gronden van artikel 38, eerste lid Procedureverordening van toepassing is. Als dit het geval is, is er sprake van de ontvankelijkheidsprocedure in de zin van artikel 35, eerste lid, Procedureverordening. Voor volgende aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening gelden specifieke regels, zie paragraaf C2/5 Vc. De ontvankelijkheidsprocedure moet in beginsel binnen twee maanden worden afgerond. Deze termijn kan met twee maanden worden verlengd.

Behandeling van de aanvraag als er sprake is van internationale bescherming in een EU-lidstaat

Als uit informatie uit de OVA-fase of na informatie uit de Eurodac registratie door de KMar blijkt dat de aanvrager al internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, kan er op basis van artikel 13, elfde lid, Procedureverordening afgezien worden van het persoonlijk onderhoud. De IND informeert in dat geval de vreemdeling of, indien aanwezig, zijn gemachtigde dat er voldoende informatie is om een beslissing te nemen zonder persoonlijk onderhoud. De vreemdeling heeft één week de tijd om hierop te reageren. In de asielgrensprocedure geldt hiervoor een termijn van drie dagen. Voor de vreemdeling in vreemdelingenbewaring en VRIS geldt eveneens een termijn van drie dagen. Vervolgens wordt op de aanvraag beslist.

Behandeling van de aanvraag als er sprake is van een EU-onderdaan

De Procedureverordening is niet van toepassing op aanvragen van EU-onderdanen. Als uit informatie uit de OVA-fase blijkt dat de aanvrager als een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie (hierna: EU-onderdaan) een asielaanvraag heeft ingediend, wordt er in beginsel niet gehoord. Gelet op het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie, is het aan de aanvrager om te onderbouwen waarom de asielaanvraag in zijn geval niet overeenkomstig Protocol (Nr. 24) als niet-ontvankelijk kan worden afgedaan. De IND informeert in dat geval de vreemdeling of, indien aanwezig, zijn gemachtigde dat hij één week de tijd heeft om te onderbouwen dat en waarom de aanvraag niet niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard.

Aan de hand van wat de vreemdeling aanvoert zal worden beoordeeld of daarin aanleiding wordt gezien om hem te horen. Als hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft de vreemdeling te horen, wordt er op de aanvraag beslist.

In het geval van een aanvraag van een EU-onderdaan aan wie een maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, Vw, die voortduurt tijdens de asielaanvraag, geldt dat deze schriftelijk of mondeling, als op zeer korte termijn een uitzetting gepland staat, in de gelegenheid wordt gesteld om te onderbouwen waarom de aanvraag niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In het geval van een schriftelijke kennisgeving geldt een reactietermijn van één werkdag. In het geval van een mondelinge kennisgeving wordt een proces-verbaal van dat gesprek opgemaakt. Vervolgens wordt op de aanvraag beslist.

Regeling
Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
Afkortingen
Vc
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
11-09-2026
BWB-id
BWBR0012288
Versie
2026-09-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl