wetzoeker

6.3 — Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is:

a. als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd;

b. als de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening niet wordt verwijderd. Wel wordt de vreemdeling geacht mee te werken aan de voorbereiding van het vertrek. Dit omvat onder meer het voeren van vertrekgesprekken, het indienen van een aanvraag voor een laissez-passer, en het verlenen van medewerking aan een presentatie in persoon bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het betreffende derde land ten behoeve van een vervangend reisdocument;

c. als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

1. de vreemdeling is als verdachte van een misdrijf aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd;

2. de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist;

3. de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan;

4. aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan;

d. als er voor de vreemdeling:

1. een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een gegronde vrees voor vervolging; en

2. er ook geen ander land kan worden aangewezen waarnaar de vreemdeling kan terugkeren.

e. als de vreemdeling naar een derde land moet vertrekken, niet zijnde zijn land van herkomst of land van doorreis.

In de onder c genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.

In de situatie gemeld onder d. wordt in het terugkeerbesluit opgenomen dat:

• de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland moet verlaten binnen een gestelde vertrektermijn;

• de vreemdeling niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst; en

• het voornemen tot uitzetting wel blijft bestaan.

Als in de situatie gemeld onder d. op een later moment wordt vastgesteld dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling dan wel dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging, neemt de IND een besluit waaruit blijkt dat er niet langer een terugkeerbeletsel is. Dit besluit maakt de IND kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.

Regeling
Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
Afkortingen
Vc
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
11-09-2026
BWB-id
BWBR0012287
Versie
2026-09-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl