wetzoeker

Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2025
Afkortingen
Uitv reg WA 2001
Rechtsgebied
Belastingrecht, Inkomstenbelasting
Ministerie
Financiën
BWB-id
BWBR0012035
Versie
2025-01-01_0
SHA-256 bron
0ca3dc6b181532f841a1ebca079f73ebf593343d0f116d83753ff2a576b464e2

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (28)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 5a
  7. Artikel 5b
  8. Artikel 6
  9. Artikel 7
  10. Artikel 8
  11. Artikel 9
  12. Artikel 10
  13. Artikel 11
  14. Artikel 12
  15. Artikel 13
  16. Artikel 14
  17. Artikel 15
  18. Artikel 16
  19. Artikel 17
  20. Artikel 18
  21. Artikel 19
  22. Artikel 20
  23. Artikel 21
  24. Artikel 22
  25. Artikel 23
  26. Artikel 24
  27. Artikel 25
  28. Artikel 26

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

1 Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3.31, 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2 Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 2

1 Met betrekking tot milieu-bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de wet, is willekeurige afschrijving alleen mogelijk indien de aanmelding van de aangegane verplichtingen of gemaakte voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet plaatsvindt binnen een termijn van drie maanden.

2 De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichting;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, ingeval het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de voortbrengingskosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel.

3 Ingeval artikel 3.52, eerste lid, onderdeel a, van de wet toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 3

De termijn bedoeld in artikel 3.31, vierde lid, van de wet waarbinnen het verzoek ter zake van een bedrijfsmiddel dat bestemd is om te worden gebruikt buiten Nederland, moet zijn ingediend, wordt gesteld op de in artikel 2 gestelde termijn. Bij dit verzoek worden tevens de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van het bedrijfsmiddel aangemeld.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 4

1 De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de Minister van Economische Zaken en Klimaat geopende elektronische weg.

2 De aanmelding wordt gedaan voor aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten die per melding samen ten minste € 2.500 bedragen.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 5

Met betrekking tot milieubedrijfsmiddelen die op grond van artikel 3.42a, zevende lid, van de wet worden aangemeld voor de milieu-investeringsaftrek en waarop de belastingplichtige tevens willekeurig wil afschrijven, kan de aanmelding voor willekeurige afschrijving, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet, worden opgenomen in de aanmelding voor de milieu-investeringsaftrek.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 5a

1 De verklaring van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de wet, vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de investering.

2 Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding, bedoeld in de artikelen 2 en 4.

3 De belastingplichtige overlegt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Infrastructuur en Waterstaat daarom verzoekt, vergunningen, certificaten of andere voor het verstrekken van de verklaring benodigde informatie.

Hoofdstuk 2 — Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel 5b

1 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de in artikel 5a bedoelde verklaring intrekken op verzoek van de belastingplichtige, dan wel wijzigen of intrekken indien de door of namens de belastingplichtige verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kunnen geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.

2 De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

Hoofdstuk 3 — Bedrijfsmiddelen in het belang van de arbeidsomstandigheden

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 1 — Investeringen door startende ondernemers

Artikel 7

1 Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, in verbinding met het derde lid, van de wet, worden aangewezen: bedrijfsmiddelen voor zover de belastingplichtige ter zake verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een kalenderjaar waarover bij hem de verhoogde zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76, derde lid, van de wet van toepassing is.

2 Voor de toepassing van het eerste lid worden bedrijfsmiddelen voor zover de belastingplichtige ter zake verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een kalenderjaar en bij hem de zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 3.76, eerste lid, van de wet in dat jaar niet van toepassing is en dat onmiddellijk voorafgaat aan een kalenderjaar waarin bij hem de verhoogde zelfstandigenaftrek van toepassing is, mede gerekend tot de bedrijfsmiddelen van het laatstgenoemde kalenderjaar.

3 Het eerste lid is slechts van toepassing op bedrijfsmiddelen waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten worden gemaakt in het kader van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

4 Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 3.43, tweede lid, artikel 3.45, eerste, tweede en vijfde lid, en artikel 3.46 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 1 — Investeringen door startende ondernemers

Artikel 8

Op de aanschaffings- of voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 7, kan willekeurig worden afgeschreven voor zover het gezamenlijke bedrag van die kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven het in de tabel van artikel 3.41, tweede lid, van de wet opgenomen maximum bedrag waarover kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kan worden verkregen. De eerste volzin vindt geen toepassing op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarop uit andere hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 1 — Investeringen door startende ondernemers

Artikel 9

De periode bedoeld in artikel 3.38 van de wet wordt gesteld op vijf jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 2 — Zeeschepen

Artikel 10

Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet worden voorts aangewezen: schepen die door de belastingplichtige worden geëxploiteerd op een wijze als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 2 — Zeeschepen

Artikel 11

De willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 bedraagt per kalenderjaar ten hoogste 20% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten. De willekeurige afschrijving kan slechts worden toegepast voor zover de berekening van de winst uit zeescheepvaart bedoeld in 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet zonder die afschrijving tot een positief bedrag leidt. Indien de afschrijving - willekeurig of op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de wet - in een jaar minder bedraagt dan het bedrag dat op grond van de eerste volzin ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven, wordt het verschil toegevoegd aan het bedrag dat in het volgende jaar ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 2 — Zeeschepen

Artikel 12

Met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 wordt de periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, gesteld op tien jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingingskosten zijn gemaakt.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 3 — Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel 13

1 Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, van de wet, worden voorts aangewezen: bedrijfsmiddelen die niet eerder in gebruik zijn genomen, voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing verplichtingen is aangegaan of ter zake van de voortbrenging voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2023, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2026 door hem in gebruik wordt genomen.

2 Tot de bedrijfsmiddelen, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

a. gebouwen;

b. schepen;

c. vliegtuigen;

d. bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994;

e. motorrijwielen als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;

f. personenauto’s als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg, en met uitzondering van personenauto’s waarvan uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is;

g. immateriële activa;

h. dieren;

i. voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen en paden, daaronder begrepen de in die wegen en paden liggende bruggen, viaducten, duikers en tunnels;

j. bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden, uitgezonderd bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om voor korte duur te worden verhuurd aan opeenvolgende huurders;

k. bedrijfsmiddelen waarop uit anderen hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

3 De datum van 1 januari 2026, waarvoor de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel dient plaats te vinden, wordt verschoven, indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de ingebruikneming door bijzondere omstandigheden is vertraagd. De verschuiving bedraagt zoveel dagen als door die omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 3 — Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel 14

Voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing of voortbrenging van aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 13 verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2023 kan eenmalig ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten willekeurig worden afgeschreven in het jaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 3 — Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel 15

Voor de toepassing van artikel 3.38 van de wet eindigt de periode waarin het bedrijfsmiddel moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 op 31 december 2025. Ingeval met betrekking tot het bedrijfsmiddel artikel 13, derde lid, toepassing vindt, wordt de periode verlengd met het aantal dagen van de verschuiving, bedoeld in artikel 13, derde lid.

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 4 — Investeringen op het continentaal plat

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 4 — Investeringen op het continentaal plat

Artikel 17

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 5 — Film

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 5 — Film

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 5 — Film

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 6 — Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel 21

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 6 — Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 6 — Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel 23

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Andere aangewezen bedrijfsmiddelen › Paragraaf 6 — Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel 24

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 25

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001.