wetzoeker

1 — Beoordelingskader arbeid als zelfstandig kunstenaar Voorschrift Vreemdelingen 2000

Beoordelingskader arbeid als zelfstandig kunstenaar

Criterium | Invulling

De kunstenaar wordt a) rechtstreeks gefinancierd door een Rijkscultuurfonds of b) de kunstenaar verricht activiteiten voor een Nederlandse professionele culturele instelling die een dusdanige artistieke kwaliteit heeft dat deze naar het oordeel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van wezenlijk cultureel belang voor Nederland wordt geacht. Indien de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap oordeelt dat geen sprake is van een instelling als hierboven bedoeld, dan kan hij bij hoge uitzondering alsnog overgaan tot een positief advies, indien de unieke kwaliteit of expertise van de zelfstandige kunstenaar die een aanvraag indient, zodanig is dat diens aanwezigheid op zichzelf naar oordeel van de Minister van wezenlijk cultureel belang voor Nederland is. | Bij rechtstreekse financiering door een Rijkscultuurfonds opgericht conform artikel 9 Wet op het specifiek cultuurbeleid: – een afschrift van de subsidiebeschikking van het Rijkscultuurfonds aan de kunstenaar. In dit geval is er sprake van een wezenlijk Nederlands cultureel belang en vindt er geen verdere beoordeling plaats. Bij het verrichten van activiteiten voor een Nederlandse professionele culturele instelling: – een onderbouwde verklaring waaruit blijkt dat de instelling de vereiste artistieke kwaliteit heeft. De Nederlandse culturele instelling wordt geacht de vereiste artistieke kwaliteit te hebben als het artistiek inhoudelijk niveau van de instelling positief is beoordeeld door de Raad voor Cultuur voor het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend, dan wel door een provinciale of gemeentelijke kunstraad. Dit is het geval bij de volgende instellingen: a. rechtspersonen die, in het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend, gesubsidieerd worden onder hoofdstuk 3 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; b. rechtspersonen die meerjarig gesubsidieerd worden door een gemeente of provincie op advies van een gemeentelijke of provinciale kunstraad waaronder in het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend. Ook de volgende instellingen worden beschouwd als een instelling met een dusdanig artistieke kwaliteit: a. rechtspersonen die meerjarig gesubsidieerd worden door een Rijkscultuurfonds waaronder in het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend; b. rechtspersonen die in het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend gesubsidieerd worden onder hoofdstuk 5 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid; c. rechtspersonen die op regelmatige basis projectsubsidies ontvangen van gemeenten, provincies of Rijkscultuurfondsen, waaronder een projectsubsidie in het jaar waarin de aanvraag als bedoeld onder artikel 3.20a wordt ingediend.

De activiteiten als bedoeld onder het eerste criterium onder b dienen onderdeel uit te maken van de kernactiviteiten van de culturele instelling. | Een overeenkomst van opdracht tussen de Nederlandse culturele instelling en de kunstenaar omtrent de uitvoering van de hiervoor bedoelde nader omschreven activiteiten. In de overeenkomst van opdracht wordt in ieder geval opgenomen: a. de overwegingen om tot de overeenkomst van opdracht te komen; b. een beschrijving van de inhoud en de uitvoering van de opdracht; c. de begindatum en de einddatum van de opdracht; d. het honorarium; e. handtekening van de ondertekeningsbevoegden.

Er dient een concrete behoefte te bestaan aan de uitvoering van deze activiteiten door de desbetreffende kunstenaar. | – Een ‘verklaring wezenlijk cultureel belang’ van de Nederlandse culturele instelling zoals opgenomen onder deze tabel.

Regeling
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Afkortingen
VV
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0012002
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl