wetzoeker

2 — Hoofdlijnen van het handelen op het beleidsterrein sociale zekerheid Vaststelling selectielijst handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein sociale voorzieningen over de periode 1940-1996

Hoofdlijnen van het handelen op het beleidsterrein sociale zekerheid

Het onderwerp van dit basisselectiedocument vormt een deel van het beleidsterrein sociale zekerheid. Dit beleidsterrein heeft betrekking op de overheidstaken in het kader van het recht op het gebied van de publieke sociale zekerheid, met als doel het bieden van inkomensbescherming. Hiermee wordt een belangrijke rechtsplicht van de overheid “het bieden van financiële bestaanszekerheid aan een ieder” vormgegeven. In 1983 is deze overheidstaak geformaliseerd in art. 20 lid 2 en 3 van de Grondwet.

De doelstelling, zoals hierboven omschreven wordt langs verschillende wegen gerealiseerd, enerzijds lenigt de overheid - door het verstrekken en aanvullen van inkomens - (directe) financiële nood. Anderzijds tracht de overheid door middel van het ontwikkelen van beleid gericht op het voorkomen van het verlies van inkomen (preventie) en het reïntegreren van arbeidsongeschikten en werklozen in het arbeidsproces, het beroep wat gedaan wordt op het stelsel van inkomensbescherming terug te dringen.

Van oudsher wordt in de sociale zekerheid op grond van het verschil in de mate van overheidsbemoeienis en de financieringsbron, een onderscheid gemaakt tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Sociale verzekeringen (inkomensdervingsregelingen) verzekeren de financiële gevolgen wanneer men als gevolg van ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid niet (meer) aan het arbeidsproces deelneemt en worden bekostigd uit premiebijdragen van werkgevers, werknemers en ingezetenen. Sociale voorzieningen (minimumbehoefteregelingen) zijn bedoeld om wanneer in een bepaalde situatie de middelen van bestaan onvoldoende zijn, het inkomensniveau aan te vullen tot het 'sociaal minimum'.

1 Regelingen die vergoedingen verstrekken voor specifieke kosten zoals de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene Kinderbijslagwet kunnen niet behulp van deze definities worden omschreven. De Wvg maakt onderdeel uit van de sociale voorzieningen, de AKW valt onder de sociale verzekeringen (zie het desbetreffende bsd).

Deze voorzieningen worden betaald uit de 'algemene middelen' (opbrengsten van de verschillende belastingen). Laatstgenoemd onderdeel komt aan de orde in het nu voorliggende BSD Sociale Voorzieningen. De sociale verzekeringen zullen in een apart BSD worden behandeld.

Het deelbeleidsterrein sociale voorzieningen valt uiteen in drie onderdelen.

Het eerste onderdeel is het zorgdragen voor (de instandhouding) van inkomensvoorzieningen zoals de Abw, de IOAW en IOAZ. Deze regelingen worden beschouwd als het sluitstuk van de sociale zekerheid en zijn bedoeld om inkomen te verschaffen wanneer er geen 'voorliggende voorziening' zoals een sociale verzekering, voorhanden is. De toetsingscriteria voor opname in genoemde regelingen verschillen onderling.

Een tweede groep zijn de additionele arbeidsvoorzieningen; hieronder wordt verstaan het treffen van voorzieningen die gericht zijn op het ondersteunen van mensen die moeite hebben met een zelfstandige toetreding tot de arbeidsmarkt. Op deze manier wordt getracht mensen voor te bereiden op die toetreding of direct in staat te stellen zelf een inkomen te verwerven. Hiertoe zijn regelingen in het leven geroepen als (in het verleden) de Beeldende Kunstenaars Regeling, loongarantieregelingen en in de jaren '90 de Rijksbijdrageregeling banenpools en de zogenaamde 'Melkertbanen'. Voor personen die tot werken in staat zijn, maar als gevolg van een handicap of andere specifieke persoonlijke factoren geen werk kunnen vinden, is aparte wetgeving ontwikkeld, de Wet sociale werkvoorziening. De arbeid die bij een werkvoorzieningsschap wordt gedaan is gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsongeschiktheid.

Tenslotte zijn er sociale voorzieningen ontwikkeld, die bestemd zijn voor bepaalde groepen. In 1939 nam de minister van Sociale Zaken de sociaal-culturele zorg op zich voor arbeiders in woonoorden. Deze arbeiders werden daar gehuisvest wegens de grote woon-werk-afstand. Ook ten aanzien van varenden had de minister deze taak.

In 1994 trad de Wet voorzieningen gehandicapten in werking. In deze wet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de verstrekking van woon- en vervoersvoorzieningen, waaronder rolstoelen. Gemeenten voeren deze taak uit op grond van een, door hen zelf uit te vaardigen verordening. De taak van de betrokken ministers (van VWS, VROM en SZW) in deze is beperkt, al hebben zij wel de mogelijkheid bepaalde zaken nader te regelen.

Regeling
Vaststelling selectielijst handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein sociale voorzieningen over de periode 1940-1996
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
13-04-2006
BWB-id
BWBR0011903
Versie
2006-04-13_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl