wetzoeker

2.7 — Accijns op zout Selectielijst handelingen Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen 1945-1962

Accijns op zout

(47)

Handeling: Het heffen van accijns op zout.

Grondslag: Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 56.

Periode: 1945-1951

Waardering: V, 6 jaar na heffing.

(48)

Handeling: Het (onder voorwaarden) toestemming verlenen:

1. voor de inslag van ruw zout rechtstreeks uit het buitenland;

2. tot het inslaan van zout zonder de aanwezigheid van ambtenaren van de belastingdienst;

3. voor de inslag van kleinere hoeveelheden zout;

4. voor de inslag van minder dan 200 kg zout;

5. voor het niet dadelijk voor de uitslag vermengen van zout met andere stoffen;

6. voor het inslaan of voorhanden hebben van andere stoffen, waaruit chloornatrium te vervaardigen of af te scheiden is die voor de werkzaamheden nodig zijn, dan in de inrichting opgepompt zout water of aangevoerd ruw zout.

Grondslag: 1. Besluit van 19 augustus 1898 (Stbl. 202), art. 5.

2. Besluit van 29 september 1909 (Stbl. 326), art. 5.

3. Besluit van 7 januari 1913 (Stbl. 8), art. 5.

4. Besluit van 10 februari 1937 (Stbl. 441), art. 4.

5. Besluit van 10 februari 1937 (Stbl. 441), art. 8.

6. Wet van 17 juni 1918 (Stbl. 383), art. 15.

Periode: 1945-1951

Waardering: V 10 jaar na vervallen van de toestemming

(49)

Handeling: Het vaststellen van standmonsters.

Grondslag: Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 55f en 59.

Periode: 1945-1951

Waardering: B, 4

(50)

Handeling: Het innen van de accijns op zout en het controleren van deze inning.

Grondslag: Besluit van 10 februari 1937 (Stbl. 441), art. 6- 7, art. 9-10, art. 12, art. 15 en art. 19.

Besluit van de SG van het departement van Financiën van 11 maart 1941, art. 4, lid 2.

Besluit van de SG van het departement van Financiën van 24 december 1941, art. 2, lid 4, art. 3, lid 2, art. 6, lid 2, art. 7, lid 1-5, art. 10, lid 1, art. 12, art. 13, lid 3.

Periode: 1945-1951

Waardering: V, 6 jaar na inning en 10 jaar na controle inslag of uitslag.

(51)

Handeling: Het voorbereiden, wijzigen, vaststellen en intrekken van voorschriften:

1. voor de inslag en uitslag en het vervoer van zout, zouthoudend water en pekel, de controle daarop en de sluiting of verzegeling van voertuigen en vaartuigen;

2. waaraan een kennisgeving aan de ontvanger moet voldoen;

3. voor het vaststellen van het gemiddeld zoutgehalte van zout water en de daarbij in acht te nemen termijnen;

4. voor het onder ambtelijk toezicht laten vernietigen van zout vervat in pekel;

5. voor de vermenging van zout met een mengmiddel of andere stoffen;

6. voor het inrichten en bijhouden van het register waarin de ingeslagen en uitgeslagen hoeveelheden zout worden geboekt;

7. voor de inslag van zout aan boord van vaartuigen en in zouterijen die slechts een beperkte hoeveelheid zout mogen meenemen of inslaan;

8. voor het sluiten en ontsluiten van bakken waarin zouthoudend water wordt opgevangen;

9. omtrent de wijze waarop de hoeveelheid chloornatrium wordt bepaald welke in uit de bodem opgepompte zouthoudend water aanwezig is;

10. voor het vermengen van zout met andere stoffen;

11. voor de inslag van kleinere hoeveelheden zout;

12. voor de vermenging van zout met andere stoffen en de levering van dergelijke stoffen;

13. voor de inrichting en het bijhouden van het register waarin de ingeslagen en uitgeslagen hoeveelheden zout door de depothouder moeten worden bijgehouden;

14. voor het inrichten en bijhouden van een register waarin de ingeslagen en uitgeslagen likstenen worden bijgehouden;

15. voor het vermengen van zout met andere stoffen;

16. voor het inrichten en bijhouden van het register waarin de in- en uitgeslagen hoeveelheden zout worden geboekt;

17. omtrent de inklaring van aan boord van vissersschepen overgebleven zout;

18. waarbij gedeelten van het terrein van toezicht langs de grenzen worden aangewezen waar het vervoer van meer dan een pond zout niet mag geschieden dan gedekt door een document.

Grondslag: 1. Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 16-17, art. 21, art. 41.

2. Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 37.

3. Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 52.

4. Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 55e.

5. Besluit van 19 augustus 1898 (Stbl. 202), art. 5.

Besluit van 25 augustus 1908, art. 8-9.

6. Besluit van 25 augustus 1908 (Stbl. 287), art. 6.

7. Besluit van 29 september 1909 (Stbl. 326), art. 21 en art. 33.

8. Wet van 17 juni 1918 (Stbl. 383), art. 6.

9. Wet van 17 juni 1918 (Stbl. 383), art. 7.

10. Besluit van 6 april 1912 (Stbl. 139), art. 6.

11. Besluit van 6 april 1912 (Stbl. 139), art. 11.

12. Besluit van 10 februari 1937 (Stbl. 441), art. 6.

13. Besluit van 10 februari 1937 (Stbl. 441), art. 13.

14. Besluit van de SG van het departement van Financiën van 24 december 1941, art. 9, lid 1.

15. Besluit van 7 januari 1913 (Stbl. 8), art. 5.

16. Besluit van 7 januari 1913 (Stbl. 8), art. 6.

17. Wet van 11 december 1857 (Stbl. 123), art. 5-6.

18. Wet van 7 december 1880 (Stbl. 221), art. 1.

Periode: 1945-1951

Waardering: B, 4

(52)

Handeling: Het voorbereiden, wijzigen, vaststellen en intrekken van de berekeningsmethode van het zoutgehalte in zeewater en het voor iedere zoutziederij vaststellen van het gemiddeld zoutgehalte van het gebruikte zout water.

Grondslag: Zoutwet 1892 (Stbl. 227), art. 51-52.

Periode: 1945-1951

Waardering: B, 4 voor algemeen geldende methode voor groepen van gevallen V, 2 jaar voor individueel vastgestelde gehalten

Regeling
Selectielijst handelingen Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen 1945-1962
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
04-02-2001
BWB-id
BWBR0011897
Versie
2001-02-04_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl