wetzoeker

2.2 — Actoren op het deelbeleidsterrein Basisonderwijs (deel 1) Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein basisonderwijs over de periode 1945-1998

Actoren op het deelbeleidsterrein Basisonderwijs

De in deze paragraaf genoemde actoren hebben op basis van een formeel vestgestelde rol invloed op het beleid voor het basisonderwijs. Het betreft actoren die in de periode vanaf 1945 tot heden een rol hebben vervuld die duidelijk van invloed is geweest op het handelen van de overheid en op de ontwikkelingen van het beleid.

De belangrijkste actoren, en hun taken, zijn:

Minister van Onderwijs (Cultuur en Wetenschappen): bestuurt het onderwijs door middel van wet- en regelgeving met inachtneming van de bepalingen in de Grondwet.

De voornaamste taken van het Rijk op het gebied van het onderwijs zijn:

zorg dragen voor openbaar onderwijs;

waarborgen van de vrijheden van stichting, richting en inrichting van het bijzonder onderwijs;

zorg dragen voor de structurering;

zorg dragen voor de bekostiging naar gelijke maatstaf;

zorg dragen voor het toezicht op het onderwijs (zie ook Inspectie van het Onderwijs);

het bevorderen van innovatie van het onderwijs.

Onderwijsbeleid is mogelijk door kwalitatieve en kwantitatieve eisen te stellen aan het onderwijsproces in de scholen en instellingen of aan de resultaten ervan, door regelingen te treffen voor het toedelen van financiële en andere middelen en door het stellen van voorwaarden waaraan scholen moeten voldoen.

Het Rijk beslist onder meer over:

welke schooltypen er kunnen bestaan;

de cursusduur van elk der schooltypen;

voor sommige schooltypen:

de vakken die moeten worden onderwezen;

het minimum en maximum aantal lesuren per schooltype;

het minimum en maximum aantal lesuren per week;

de duur van de lessen;

de eisen van bekwaamheid van het onderwijzend personeel;

het salaris en de hoofdzaken van de rechtspositie van de onderwijsgevenden;

de stichtings- en de opheffingsnormen;

de bedragen die aan schoolgebouwen en onderwijsvoorzieningen kunnen worden besteed (tot 1997).

Onder de verantwoordelijkheid van de minister heeft de velddirectie Primair Onderwijs (PO) de zorg voor het onderwijsgebied basisonderwijs en onderhoudt contacten met de instellingen binnen dat gebied.

De aspectdirectie heeft een beleidsontwikkelende functie voor een deel van het beleidsterrein (bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden).

Inspectie van het onderwijs: houdt onder de verantwoordelijkheid van de minister toezicht op het onderwijs.

Taken:

toezicht houden op de naleving van de wettelijke voorschriften

het bekend blijven met de toestand van het basisonderwijs, onder meer door het bezoeken van scholen

het bevorderen van de ontwikkeling van het basis onderwijs door overleg met het bevoegd gezag, het personeel van de scholen en de besturen van gemeente en provincie

het doen van voorstellen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die zij in het belang van het basisonderwijs nodig acht.

Provinciale Staten/Gedeputeerde Staten: houden voornamelijk toezicht op de aanwezigheid van voldoende openbaar basis- en voortgezet onderwijs.

De gemeente: is het plaatselijk bestuur voor het gehele onderwijs, openbaar en bijzonder, tevens bevoegd gezag voor het openbaar onderwijs.

Taken:

bekostiging;

coördinatie van de huisvesting.

Het bevoegd gezag: de instantie die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor de school, ofwel het schoolbestuur.

Dit is voor een openbare school het college van Burgemeester en Wethouders, voor zover de gemeenteraad niet anders bepaalt. Wanneer de school van meer gemeenten uitgaat, wordt in een gemeenschappelijke regeling het bevoegd orgaan aangewezen.

Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk persoon met volledige rechtsbevoegdheid, die volgens de statuten of reglementen het doel heeft onderwijs te geven zonder winstoogmerk.

De vakministers: de minister van Onderwijs werkt nauw samen met

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het scholings- en arbeidsmarktbeleid en het emancipatiebeleid;

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het welzijnsbeleid van specifieke groepen;

de minister van Economische Zaken voor het technologiebeleid;

de minister van Buitenlandse Zaken voor de internationale samenwerking;

de minister Justitie voor het toetsen van de wettelijke regelingen en het bewaken van het juridische gehalte van de regelingen.

Adviescommissies, overlegorganen en beroepsraden:

De Onderwijsraad: een permanent adviesorgaan met betrekking tot de uitvoering van het landelijk beleid, ingesteld bij wet van 21-02-1919, Stb 49.

Taken:

het gevraagd en ongevraagd adviseren van de minister;

finaal advies geven in het geval van regelgeving;

toezien op de handhaving van de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs, de samenhang in het onderwijsbeleid en regelgeving, en op de handhaving van de vrijheid van onderwijs;

het fungeren als beroepsinstantie bij geschillen tussen een school en de inspectie.

De adviesverplichting is voor een groot deel vervallen bij de wet van 10-07-1995, Stb. 355.

Op 15 mei 1997 kwam er een nieuwe wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220). Deze wet trad met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 1997.De voormalige Onderwijsraad werd opgeheven, een nieuwe raad werd ingesteld. De raad kreeg bij deze wet een andere samenstelling en de taken veranderden.

De nieuwe Onderwijsraad heeft de volgende taken:

de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het terrein van het onderwijs;

het desgevraagd adviseren van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het onderwijs;

het adviseren van de gemeentebesturen, in bij de wet genoemde gevallen, over aangelegenheden die het gemeentelijk onderwijsbeleid betreffen.

Onderwijsoverleg Primair en Voortgezet Onderwijs: ingesteld door de staatssecretaris van Onderwijs bij beschikking van 16-03-1995, PO/B-95006934. De beschikkingen omtrent de instelling van de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg (CCOO) en het Overlegorgaan Voortgezet Onderwijs (OOVO), van 15-07-1977, WJZ 77454/0641( lid 2 uitgezonderd) en van 16-09-1985, DGVO/13303, komen hierdoor te vervallen.

De beschikking is op 20-03-1995 in werking getreden en vervalt op 01-03-1999.

Er is een onderwijsoverleg tussen de minister of staatssecretaris van Onderwijs en vertegenwoordigers van personeelsvakorganisaties, besturenorganisaties, schoolleiders, leerlingen en ouders. De organisaties die deze geledingen vertegenwoordigen vaardigen zelf hun vertegenwoordigers af.

Taak:

het voeren van overleg over beleidsvoornemens voor het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en de ondersteuning daarvan alsmede de opleidingen daarvoor.

Interdepartementale Werkgroep Regeling Rijksuitkeringen kleuter- en lager onderwijs (werkgroep Londo), ingesteld bij beschikking van 15-05-1974 door de minister van Onderwijs en Wetenschappen. De werkgroep werd in de wandelgangen de `werkgroep Londo' genoemd, naar haar voorzitter.

Taken:

het instellen van een onderzoek naar de oorzaken van de problemen met betrekking tot de uitgave van het kleuter- en lager onderwijs en de daartegenover van rijkswege beschikbaar gestelde middelen;

het verrichten van onderzoek naar de mogelijkheden van het oplossen van deze problemen;

het aangeven van de wijze waarop ter bereiking van een redelijk en financieel verantwoord landelijk onderwijsniveau, de van rijkswege beschikbaar te stellen vergoedingen moeten worden bepaald.

Adviesgroep programma's van eisen WBO en ISOVSO, ingesteld bij het besluit van 22-06-1990, Stb. 352.

Taken:

de minister desgevraagd of schriftelijk te adviseren over de programma's van eisen en de periodieke evaluatie van de programma's van eisen;

de minister te adviseren over onderwerpen die met de programma's van eisen verband houden;

de Tweede Kamer op verzoek adviseren over bij die Kamer aanhangig gemaakte initiatiefvoorstellen van wet.

Regeling
Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein basisonderwijs over de periode 1945-1998
Soort
Archiefselectielijst
Geldend vanaf
15-07-2000
BWB-id
BWBR0011428
Versie
2000-07-15_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl