wetzoeker

Regeling specifieke uitkering vervoermanagement

Houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering aan provincies in het jaar 2000 ten behoeve van vervoermanagement

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-02-2000
Rechtsgebied
Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0011124
Versie
2000-02-01_0
SHA-256 bron
20187a4415fdbf9d609b3d64b692d7a8aa35d5f71624fec4c10d5bb7c9b623d3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (11)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. vervoermanagement:

de zorg van binnen de provincie gevestigde bedrijven instellingen voor personenvervoer ten einde het autogebruik zo beperkt mogelijk te houden;

c. uitkeringsjaar:

het jaar 2000.

Artikel 2

Aan een provincie wordt in het uitkeringsjaar een specifieke uitkering verstrekt met als doel:

a. vervoermanagement te integreren in het beleid van de provincie;

b. het zwaartepunt inzake het stimuleren van vervoermanagement van het Rijk naar de provincie te verschuiven;

c. aan binnen de provincie gevestigde bedrijven en instellingen ten behoeve van vervoermanagement een adequaat voorzieningenniveau te bieden, zoals op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling werd geboden door de van Rijkswege opgezette vervoermanagementcentra.

Artikel 3

1 De uitkering wordt door de minister voor 15 februari 2000 verleend onder voorwaarde dat voldoende gelden beschikbaar zijn gesteld.

2 Het uitkeringsbedrag dat wordt verleend bedraagt in duizenden guldens per provincie:

Groningen

75

Friesland

75

Drenthe

75

Overijssel

160

Flevoland

60

Gelderland

575

Utrecht

360

Noord-Holland

830

Zuid-Holland

1060

Zeeland

75

Noord-Brabant

725

Limburg

115

3 Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 4

1 De provincie besteedt de verstrekte uitkering aan activiteiten ten behoeve van het doel van de uitkering.

2 De provincie overlegt onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Financiële-verhoudingswet:

a. voor 1 april 2000 een besluit inhoudende dat de verstrekte uitkering volgens de begroting wordt bestemd voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid;

b. voor 1 mei 2001 een financiële verantwoording over de tijdens het uitkeringsjaar gemaakte kosten verbonden aan activiteiten als bedoeld in het eerste lid. De verant woording dient in elk geval te bevatten:

1º een weergave van de kosten per uitgevoerde activiteit;

2º een weergave van de informatie die zal worden opgenomen in het verslag, bedoeld in artikel 201, tweede lid, van de Provinciewet.

c. voor 1 mei 2001 een inhoudelijk verslag omtrent de uitvoering van activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tijdens het uitkeringsjaar.

3 Indien de verleende uitkering meer bedraagt dan f 250 000 is de verantwoording als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, voorzien van een accountantsverklaring over de gemaakte kosten verbonden aan activiteiten als bedoeld in het eerste lid.

4 De in het derde lid bedoelde accountantsverklaring wordt vastgesteld aan de hand van het door de minister vastgestelde controleprotocol.

Artikel 5

1 Binnen vier weken na de beschikking tot verlening wordt een voorschot betaald.

2 Het voorschot bedraagt 70% van het verleende uitkeringsbedrag.

Artikel 6

1 Voor zover na 31 december 2000 de verleende uitkering niet is besteed ten behoeve van het doel van de uitkering, kan ze worden gereserveerd.

2 Er mag niet meer dan 40% van de verleende uitkering worden gereserveerd.

3 De gereserveerde bedragen dienen voor 31 juli 2001 ten behoeve van het doel van de uitkering te zijn besteed.

Artikel 7

1 De minister stelt de uitkering vast binnen zestien weken na ontvangst van een verantwoording als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b. Indien niet wordt voldaan aan artikel 4, tweede lid, onderdeel b, stelt de minister de uitkering voor 1 september 2001 vast.

2 De artikelen 4:46, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel c, en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

1 Het uitkeringsbedrag wordt overeenkomstig de vaststelling betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.

2 Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de vaststelling betaald.

Artikel 9

Onverschuldigd betaalde uitkeringsbedragen en voorschotten kunnen binnen acht weken na de vaststelling van de uitkering, wijziging of intrekking daarvan worden teruggevorderd.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2000.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering vervoermanagement.