wetzoeker

Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-07-2022
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Ministerie
Defensie
BWB-id
BWBR0011103
Versie
2022-07-01_0
SHA-256 bron
34bbdfa205a6d850a9b90d9a04476b2c8a3a5c3575cc5369fd144f351656e5a1

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (4)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3

Artikel 1

Deze regeling berust op de artikelen 4 en 20 van het Besluit luchtverkeer 2014.

Artikel 1a

1 Ten aanzien van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge artikel 5.7 van de Wet luchtvaart aangewezen onbemande luchtvaartuigen, waarvan de totale startmassa meer dan 25 kilogram bedraagt en waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan paragraaf SERA.2005, paragraaf SERA.3215, paragraaf SERA.5025 en deel 5 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012 en de artikelen 2, eerste lid, 11, 13, 23, eerste lid, en 24 van het Besluit luchtverkeer 2014, gelden de volgende nadere regels:

a. de vlucht:

1°. wordt uitgevoerd in een gebied waar het uitoefenen van de burgerluchtvaart is verboden tijdens het gebruik van het gebied ten behoeve van militaire oefeningen;

2°. wordt afgestemd met eventueel ander militair luchtverkeer;

b. de vlucht buiten het gebied, bedoeld in onderdeel a, wordt afgestemd met de luchtverkeersdienstverlener.

2 Ten aanzien van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge artikel 5.7 van de Wet luchtvaart aangewezen onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden vanuit de lucht, waarvan de totale startmassa ten hoogste 25 kilogram bedraagt en waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan paragraaf SERA.2005, paragraaf SERA.3215, paragraaf SERA.3225, paragraaf SERA.5005, onderdeel g, paragraaf SERA.5020, paragraaf SERA.5025, paragraaf SERA.8035 en deel 5 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012 en de artikelen 11, 13, 16, 23, eerste lid, en 24 van het Besluit luchtverkeer 2014, gelden de volgende nadere regels:

a. vluchten worden slechts in de volgende gebieden uitgevoerd:

1°. militaire plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden zoals aangegeven in de Regeling luchtverkeersdienstverlening;

2°. restricted areas, ingesteld op basis van artikel 5.10, tweede lid, Wet luchtvaart;

3°. tijdelijke gebieden met beperkingen, ingesteld op basis van artikel 9 van het Besluit luchtverkeer 2014;

b. vluchten in het kader van een oefening in gebieden als bedoeld in onderdeel a, onder 3°, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 150 meter (500 ft) boven de grond of het water;

c. voorafgaand aan de vlucht wordt per NOTAM bekend gesteld in welk gebied en voor welke duur gebruik wordt gemaakt van het betreffende gebied door het militaire onbemande luchtvaartuig;

d. de vlucht wordt afgestemd met eventueel ander luchtverkeer in het gebied.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen.