wetzoeker

3. De actoren Vaststellingsbesluit selectielijst Nationale ombudsman 1982-1997

Een uitgebreid overzicht van de (categorieën) actoren die een rol spelen op het terrein van de Nationale ombudsman, voorzien van de nodige toelichting, is te vinden in hoofdstuk 1 van het RIO. Hieronder passeren de meest belangrijke (categorieën) overheidsactoren de revue, waarbij wordt aangegeven of en in hoeverre van deze actoren handelingen zijn opgenomen in RIO en BSD.

a. Tweede Kamer en verdere actoren behorende tot de Staten-Generaal

Wat betreft het beleidsterrein Nationale ombudsman treedt de Tweede Kamer op als mede-wetgever bij de totstandkoming en wijziging van de formele wetgeving in verband met de Nationale ombudsman. Voorts benoemt, schorst en ontslaat zij de ambtsdragers. Daarnaast behandelt zij het jaarverslag van de Nationale ombudsman, dat ook over institutionele aangelegenheden handelt. Specifiek voor het taakveld is dat de Staten-Generaal als controlerende instantie (naar aanleiding van het jaarverslag van de ombudsman of andere berichtgeving over zijn werk) betrokken bestuursorganen, i.c. ministers en staatssecretarissen, ter verantwoording roept of om opheldering vraagt, bijvoorbeeld over het niet opvolgen van een aanbeveling van de Nationale ombudsman.

Belangrijke commissies in relatie tot de Nationale ombudsman zijn:

‐ de vaste Commissie voor de Nationale ombudsman uit de Tweede Kamer, ingesteld in 1981; alsmede haar taakopvolger (sinds 1994) in deze:

‐ de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken uit de Tweede Kamer;

‐ de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Tweede Kamer (en haar tegenhanger in de Eerste Kamer), alsmede andere tot de behandeling van (specifieke) klachten bevoegde commissies, zoals de Commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De vaste commissies met betrekking tot de respectieve vakdepartementen spelen met name een rol waar het gaat om de gedachtewisseling met de vakministers inzake onderzoeken van de Nationale ombudsman op hun terrein.

In het RIO wordt de rol van de tot de Staten-Generaal behorende actoren wel aangeduid, maar zijn van hen geen handelingen opgenomen. Aan de Staten-Generaal wordt namelijk in het kader van PIVOT een afzonderlijk onderzoek gewijd.

b. Nationale ombudsman

Voor een schets van de rol van de Nationale ombudsman op het beleidsterrein en zijn activiteiten op het taakveld wordt mede verwezen naar de voorgaande paragraaf.

Van de Nationale ombudsman (waaronder te begrijpen een substituut-ombudsman, dan wel een vervangend of waarnemend Nationale ombudsman) zijn alle handelingen op het beleidsterrein en het taakveld opgenomen, behalve de handelingen die alleen zijn ’huishouding’ betreffen (zie Toepassingsbereik).

c. Minister van Binnenlandse Zaken

Deze is de verantwoordelijke minister op het beleidsterrein sinds 1964. De Minister (of Staatssecretaris) van Binnenlandse Zaken bereidt de wet- en regelgeving en het regeringsbeleid ten aanzien van de Nationale ombudsman voor en overlegt over deze en andere institutionele zaken betreffende de Nationale ombudsman met de Staten-Generaal. Nadat de Minister van BiZa reeds belast was geweest met de praktische invoering van het ombudsmaninstituut, is hij, sinds dit in 1982 met zijn werk begon, ook verantwoordelijk voor het beheer van de instelling (en de andere Hoge Colleges van Staat en overige instellingen opgenomen in hoofdstuk II van de rijksbegroting). In verband daarmee is Binnenlandse Zaken voor de Nationale ombudsman het aangewezen contactpunt bij het bestuur inzake aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, automatisering, etc. Ook de praktische regeling van de uitbreiding van de bevoegdheid van de Nationale ombudsman tot andere overheden wordt door Binnenlandse Zaken gecoördineerd.

De handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken op het beleidsterrein zijn in RIO en BSD opgenomen, wederom met uitzondering van de handelingen die exclusief betrekking hebben op het beheer van de instelling.

d. Bestuursorgaan als bedoeld in art. 1, sinds 1993 art. 1a van de WNo

De WNo geeft aan ten aanzien van welke overheidsorganen de Nationale ombudsman competent is, (sinds de inwerkingtreding van de Awb) onder bepaling dat deze competentie alleen bestuursorganen geldt. Bij wet zijn aangewezen:

‐ de ministers;

‐ de bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de ministers werkzaam zijn;

‐ de Commissarissen van de Koningin en de burgemeesters, voorzover het gaat om de hun bij wettelijk voorschrift opgedragen politietaken.

In de periode 1993‐1997 zijn op basis van art. 1 (of art. 1a) van de WNo verschillende amvb’s tot stand gebracht, ingevolge waarvan de competentie van de Nationale ombudsman is uitgebreid met:

‐ de bestuursorganen van de waterschappen, met inbegrip van de (hoog)heemraadschappen, polderdistricten, dijkschappen, wegschappen en zuiveringschappen;

‐ de bestuursorganen van de gemeenten en de provincies voorzover het betreft de uitoefening van de taken die zijn opgedragen aan de voor hen werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren;

‐ de bestuursorganen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;

‐ de adviescolleges, bedoeld in de Kaderwet adviescolleges (niet zijnde adviescolleges als bedoeld in art. 3 van die wet);

‐ de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) van de centrale overheid.

Insgelijks aangewezen bij amvb, maar voor een bepaalde proefperiode (vanaf 1 juli 1996 tot 1 januari 1998), zijn de provincies en een zevental gemeenten, te weten Apeldoorn, Enschede, Katwijk, Oegstgeest, Roermond, Voorschoten en Weert.

e. Een ieder, als bedoeld in art. 12 van de WNo (de verzoeker)

Een ieder mag de Nationale ombudsman schriftelijk verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk of rechtspersoon heeft gedragen. De actor wordt veelal voorgesteld als ’de burger’ maar dat is niet geheel raak. In hoofdstuk 4 van het RIO wordt op de extensie van de term ’een ieder’ nader ingegaan. Hoewel de actor verzoeker in beginsel ook een orgaan van de Nederlandse overheid zou kunnen zijn, zijn in het BSD (en het RIO) geen handelingen van een ieder als verzoeker in de zin van de WNo opgenomen. Er is van uitgegaan dat de actor ’een ieder’ in het algemeen tot de private sector behoort en niet onder de Nederlandse archiefwetgeving valt.

f. Overige ministers

De Ministers van Algemene Zaken en Justitie zijn in de jaren 1960 ‐ 1970 betrokken geweest bij de agendavorming inzake het ’ombudsmanvraagstuk’. De laatste heeft bovendien (inhoudelijk, niet slechts wetgevingstechnisch) meegewerkt aan de totstandkoming van de WNo en deelgenomen aan interdepartementaal overleg inzake de uitbreiding van de bevoegdheid van de Nationale ombudsman in de jaren 1980 -1990. De desbetreffende handelingen op het beleidsterrein zijn opgenomen in het RIO en het BSD.

g. Actor als bedoeld in art. 2, tweede lid, van de WNo (CANO)

De Commissie van aanbeveling Nationale ombudsman (een informele benaming, afgekort CANO) is een bijzondere commissie, bestaande uit de vice-president van de Raad van State en de presidenten van de Hoge Raad en de Algemene Rekenkamer. Dit drietal stelt een aanbeveling op voor de benoeming van de Nationale ombudsman. Deze handeling is opgenomen in het RIO en het BSD.

Regeling
Vaststellingsbesluit selectielijst Nationale ombudsman 1982-1997
Soort
KB
Geldend vanaf
11-12-1999
BWB-id
BWBR0010853
Versie
1999-12-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl