wetzoeker

5 — Verbindingen met andere rechtspersonen of vennootschap Toepassing toezicht op toegelaten instellingen (BBSH)

Verbindingen met andere rechtspersonen of vennootschap

In het BBSH is geregeld dat de t.i. slechts een verbinding aangaat indien dit noodzakelijk is om invulling te geven aan de vijf eerder genoemde prestatievelden. Deze regel is ingegeven door de gedachte dat een corporatie slechts in uitzonderingsgevallen een verbinding zou aangaan om vorm te geven aan de taken op de vijf prestatievelden (kerntaken). Ondanks consolidatiebepalingen in het BBSH maakt het onderbrengen van kerntaken van de t.i. in een verbinding de doorzichtigheid en controleerbaarheid van de t.i. veelal niet eenvoudiger. Door de introductie van het noodzakelijkheidsbeginsel is een drempel opgeworpen bij het aangaan van verbindingen. Uit het BBSH volgt dat de t.i. zelf beslist of zij het noodzakelijk acht om een verbinding aan te gaan. Dergelijke beslissingen zijn in het BBSH niet onderworpen aan preventief toezicht. De keuze daartoe dient de t.i. in het Jaarverslag te motiveren.

In de praktijk blijken er goede redenen te kunnen zijn om kern- en/of nevenactiviteiten onder te brengen in een verbinding. Zo worden samenwerkingsrelaties met anderen juridisch vormgegeven in een gezamenlijke rechtspersoon. Bijvoorbeeld kan door het aangaan van een PPS-constructie de samenwerkingsrelatie van de corporatie met bijvoorbeeld gemeenten en projectontwikkelaars juridisch helder vorm worden gegeven. Ook het onderbrengen van beheer of onderhoud in een verbinding komt voor.

Gelet op deze ontwikkelingen zal ik aan het noodzakelijkheidsprincipe een ruimere invulling geven. Dit betekent niet dat elke verbinding nu zal worden toegestaan. Zo is een verbinding waarbij het via een zakelijk genotsrecht bezwaren van woningen ten gunste van een andere rechtspersoon, waarna die woningen door die andere rechtspersoon worden verhuurd – een werkzaamheid die bij uitstek tot de taak van de toegelaten instelling behoort – niet acceptabel. Er kan immers niet worden aangenomen, dat voor het voeren van een zo goed mogelijk verhuurbeleid een andere rechtspersoon nodig is.

Afhankelijk van de aard van de (neven)activiteiten kan de t.i. bepalen voor welke constructie zij kiest. Verbindingen worden soms opgezet om kernactiviteit en nevenactiviteit zo goed mogelijk van elkaar te onderscheiden en transparant te maken. Eventuele financiële risico’s die gepaard gaan met het opzetten van nevenactiviteiten worden daarmee beter afgeschermd.

Echter, door de effectiviteit van handelen mag het interne en externe toezicht niet belemmerd worden.

Regeling
Toepassing toezicht op toegelaten instellingen (BBSH)
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
07-02-2000
BWB-id
BWBR0010820
Versie
2000-02-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl