wetzoeker

Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
15-07-1999
Rechtsgebied
Penitentiair recht, Strafrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0010524
Versie
1999-07-15_0
SHA-256 bron
09a5b816c9bb08caf23edad79d1480a24189754e40ca4ab02c088de48cc39413

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (38)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38

Paragraaf 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: de Penitentiaire beginselenwet;

b. raam: een voorziening waardoor de cyclus van dag en nacht kan worden waargenomen.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 2

Bij de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of de tenuitvoerlegging van afzondering in een afzonderingscel geldt het bepaalde in de huisregels van de inrichting waar de straf respectievelijk de afzondering ten uitvoer wordt gelegd, voorzover in deze regeling niet anders is bepaald.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 3

Indien de afzondering, bedoeld in artikel 24 van de wet,

a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming,

b. in verband met de ernst van de gedragingen van de gedetineerde, of

c. in verband met de lichamelijke- of geestelijke toestand van de gedetineerde, niet ten uitvoer kan worden gelegd in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, vindt deze plaats in een afzonderingscel.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 4

De directeur geeft van een plaatsing in een straf- of afzonderingscel onverwijld kennis aan de arts die aan de inrichting is verbonden. De arts of diens vervanger, dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, bezoekt de gedetineerde zo spoedig mogelijk in de straf- of afzonderingscel en na de melding, bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de wet, regelmatig.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 5

De directeur draagt zorg dat hij ten minste dagelijks op de hoogte wordt gesteld van de toestand van de in de straf- of afzonderingscel geplaatste gedetineerde.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 6

Indien de gedetineerde herhaaldelijk zonder noodzaak gebruik maakt van in de straf- of afzonderingscel aanwezige communicatiemiddelen kan de directeur beslissen dat deze buiten werking worden gesteld. In dat geval treft hij de maatregelen die noodzakelijk zijn voor voldoende communicatie van de gedetineerde met ambtenaren of medewerkers.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 7

1 De deur van een strafcel en de deur van een afzonderingscel, bij plaatsing in afzondering op de grond van artikel 23, onder a of b, van de wet, wordt slechts geopend indien ten minste twee ambtenaren of medewerkers daarbij aanwezig zijn.

2 In de dienstinstructies worden regels gesteld over het openen van de deur van een straf- of afzonderingscel tijdens de nachtdienst.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 8

De directeur draagt zorg dat gedurende de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of de tenuitvoerlegging van afzondering in een afzonderingscel het nodige contact tussen ambtenaren en medewerkers van de inrichting en de gedetineerde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 9

Indien de gedetineerde zelfdestructief gedrag vertoont dan wel indien het vermoeden hiervan bestaat, stelt de met het toezicht belaste functionaris zich ten minste eenmaal per uur op de hoogte van de toestand van de gedetineerde.

Paragraaf 2 — Voorwaarden

Artikel 10

De directeur draagt zorg dat de wijze van verslaglegging over het verblijf van een gedetineerde in een straf- of afzonderingscel naar aard en frequentie op de situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 11

De artikelen 2, 3, 5, 6, tweede lid, artikel 7 onder a, en 13 van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een straf- of afzonderingscel.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 12

1 In een wand of het plafond van de straf- of afzonderingscel bevindt zich een beveiligd raam.

2 Het raam heeft een oppervlak van ten minste 0,7 vierkante meter.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 13

De straf- of afzonderingscel is voorzien van een ventilatiemogelijkheid waardoor op natuurlijke dan wel mechanische wijze voldoende verse lucht wordt aangevoerd.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 14

De afgesloten straf- of afzonderingscel is vanaf de gangzijde in zijn geheel te overzien. De inwendige celhoeken zijn zodanig afgeschuind dat de gedetineerde zich niet aan het zicht kan onttrekken.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 15

In de straf- of afzonderingscel is een verwarming aangebracht die alleen van buiten die cel kan worden bediend.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 16

1 De straf- of afzonderingscel is voorzien van een toilet.

2 De gedetineerde kan het toilet zelfstandig dan wel op verzoek onverwijld laten doorspoelen.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 17

1 De directeur draagt zorg dat de straf- of afzonderingscel voldoende is verlicht. De cel is daartoe voorzien van een van buiten die cel bedienbare dag- en nachtverlichting met voldoende lichtsterkte.

2 De directeur kan bepalen dat `s nachts de nachtverlichting blijft branden.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 18

1 In een strafcel bevinden zich gedurende de dag zitelementen en gedurende de nacht een matras, een kussen en voldoende dekens.

2 In bijzondere gevallen kan de directeur bepalen dat de gedetineerde gedurende de dag de beschikking krijgt over een matras, een kussen en een of meer dekens.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 19

In een afzonderingscel bevinden zich zitelementen of bevindt zich een matras met voldoende dekens.

Paragraaf 3 — De inrichting van de straf- of afzonderingscel

Artikel 20

1 Een straf- of afzonderingscel kan zijn uitgerust met een observatie-camera.

2 De camera is zodanig aangebracht dat observatie van de gehele cel mogelijk is.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 21

1 De directeur draagt zorg dat de gedetineerde in staat wordt gesteld contact met de buitenwereld te onderhouden, volgens het daarover bepaalde in de huisregels.

2 De directeur kan het recht van de gedetineerde om te telefoneren met of het ontvangen van bezoek van persoonlijke relaties slechts beperken of uitsluiten indien het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel de gedragingen, lichamelijke of gemoedstoestand van de gedetineerde zulks noodzakelijk maken.

3 Het bezoek vindt gescheiden van de overige gedetineerden en onder toezicht plaats.

4 Het is de in artikel 37 van de wet genoemde personen en instanties toegestaan vrijelijk contact te onderhouden met de gedetineerden.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 22

De directeur kan de gedetineerde toestaan deel te nemen aan activiteiten.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 23

Het is de gedetineerde niet toegestaan voorwerpen onder zijn berusting te houden, tenzij de directeur anders bepaalt.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 24

De gedetineerde die verblijft in een straf- of afzonderingscel heeft het recht lectuur te ontvangen overeenkomstig de huisregels van de inrichting.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 25

De gedetineerde wordt, gedurende zijn verblijf in de straf- of afzonderingscel, in staat gesteld goederen te kopen. Aangekochte goederen worden in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet opgeslagen, tenzij de directeur bepaalt dat tegen uitreiking van bepaalde goederen in de straf- of afzonderingscel geen bezwaar bestaat.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 26

1 De gedetineerde is verplicht de straf- of afzonderingscel met de zich daarin bevindende voorwerpen schoon en ongeschonden te houden.

2 De gedetineerde is verplicht dagelijks onder toezicht de straf- of afzonderingscel waarin hij verblijft te reinigen, tenzij hij daar op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet toe in staat is.

Paragraaf 4 — Het verblijf in de straf- of afzonderingscel

Artikel 27

In de straf- of afzonderingscel mag niet gerookt worden. Het is de gedetineerde toegestaan te roken tijdens het dagelijks verblijf in de buitenlucht.

Paragraaf 5 — Verzorging

Artikel 28

Bij plaatsing in straf- of afzonderingscel wordt de gedetineerde van rijkswege voorzien van kleding. In bijzondere omstandigheden kan de directeur anders bepalen.

Paragraaf 5 — Verzorging

Artikel 29

De gedetineerde wordt ’s ochtends en ’s avonds in de gelegenheid gesteld zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne te verzorgen.

Paragraaf 5 — Verzorging

Artikel 30

Het voor gebruik in de straf- en afzonderingscel bestemde eetgerei wordt tegelijkertijd met de maaltijd aan de gedetineerde verstrekt en direct na de maaltijd weer ingenomen.

Paragraaf 6 — Controle en geweldgebruik

Artikel 31

De gedetineerde wordt voor de plaatsing in een straf- of afzonderingscel aan zijn kleding en lichaam onderzocht.

Paragraaf 6 — Controle en geweldgebruik

Artikel 32

1 De directeur draagt zorg dat ingenomen kleding en andere bezittingen van de gedetineerde door twee ambtenaren of medewerkers worden ingenomen, geregistreerd en opgeborgen.

2 Aan de gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging uitgereikt.

Paragraaf 6 — Controle en geweldgebruik

Artikel 33

1 De directeur kan, indien de lichamelijke of geestelijke toestand van de gedetineerde dit noodzakelijk maakt, bepalen dat de gedetineerde dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.

2 Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies van de inrichtingsarts in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.

3 De directeur geeft de gedetineerde onverwijld schriftelijk, en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot camera-observatie over te gaan.

Paragraaf 6 — Controle en geweldgebruik

Artikel 34

De directeur is op grond van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen bevoegd jegens een gedetineerde geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de plaatsing in de straf- of afzonderingscel of de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

Paragraaf 7 — Bijzondere bepalingen voor gedetineerden in een extra beveiligde inrichting

Artikel 35

In afwijking van artikel 2 geldt voor gedetineerden die in een straf- of afzonderingscel verblijven in afwachting van plaatsing in een extra beveiligde inrichting, het daarover bepaalde in de huisregels van de extra beveiligde inrichting.

Paragraaf 8 — Slotbepalingen

Artikel 36

De volgende regelingen worden ingetrokken:

Reglement voor afzondering in een cel niet zijnde een strafcel (18 mei 1978, nr. 369/378);

Reglement voor opsluiting in een strafcel (18 mei 1978, nr. 370/378);

Uitvoeringsregeling van art. 105 Gevangenismaatregel (29 januari 1979, nr. 1426/378);

Reglement plaatsing in de isoleercel en plaatsing op het veiligheidsbed (19 februari 1981, nr. 927/380);

Uitvoeringsregeling van art. 105 Gevangenismaatregel (21 september 1981, nr. 969/381);

Toezending brochure over de plaatsing in afzondering (9 januari 1984, nr. 1390/383);

Aanvulling van art. 13, eerste lid, reglement strafcel (13 oktober 1992, nr. 256564/92)

Regiem t.a.v. gedetineerden in landelijke afzonderingsafdelingen en Penitentiair Ziekenhuis in afwachting van plaatsing in ebi (11 oktober 1994, nr. 456588/94/DJ).

Paragraaf 8 — Slotbepalingen

Artikel 37

Deze regeling treedt in werking op 15 juli 1999.

Paragraaf 8 — Slotbepalingen

Artikel 38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen.