wetzoeker

Mandaatbesluit directeur Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam

Besluit tot mandatering aan de directeur van het GVB/A van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 15 van het Metroreglement en artikel 39 jo 36, 37 en 38 van de Spoorwegwet

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
03-11-2007
Rechtsgebied
Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht, Vervoersrecht
Ministerie
Infrastructuur en Milieu
BWB-id
BWBR0010298
Versie
2007-11-03_0
SHA-256 bron
bad104b415ae1698be1b095857bc3a94f514aa75da95f559d4d2f032d3bd6df3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (6)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5

Artikel 1

De directeur van GVB, hierna te noemen de directeur van GVB, kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag voor een vergunning voor het op, in, boven of onder een spoorweg aanbrengen, te doen aanbrengen of te hebben van leidingen, werken en andere inrichtingen of beplantingen, dan wel het daarmee verband houdende uitvoeren of te doen uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in artikel 15 Metroreglement, voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB.

Artikel 1a

De directeur van GVB kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Tramwegreglement.

Artikel 2

De directeur van GVB kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 39 j( 36, 37 en 38 van de Spoorwegwet 1875 voor een uitgraving binnen de afstand van zes meter van een spoorweg waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor die spoorweg kan geschieden, voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB.

Artikel 3

1 De directeur van GVB oefent het mandaat uit met inachtneming van de algemene instructies, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage.

2 De directeur van GVB oefent het mandaat uit met inachtneming van de door de Minister van Verkeer en Waterstaat gegeven aanwijzingen.

Artikel 4

1 De directeur van GVB kan zijn mandaat bij afwezigheid laten uitoefenen door een door hem schriftelijk als zodanig aangewezen plaatsvervanger.

2 Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk kennis gegeven aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het besluit bekend is gemaakt aan de directeur van het GVB/A.