wetzoeker

Stap 2 (deel 1) Herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers

2.1 Het COA, (de directeur van het centrum), of de gemeente (het College van B&W) neemt op grond van de constatering dat voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 8 lid 1, onder b Rva 1997 of artikel 15 lid 3, onder c ROA én het feit dat de betrokken vreemdeling niet meewerkt aan het verkrijgen van de voor de verwijdering benodigde reis- en identiteitsdocumenten een afzonderlijk besluit tot beëindiging van de ROA(opvang)-voorzieningen. Het nemen van een afzonderlijke besluit (beschikking) is noodzakelijk om de opvangvoorzieningen te kunnen beëindigen. In zoverre is de huidige (imperatieve) redactie van de RVA/ROA misleidend. Artikel 8 en artikel 15 wekken ten onrechte de indruk dat de opvangvoorzieningen automatisch (van rechtswege) zijn beëindigd indien sprake is van een last tot uitzetting en een datum waarop is aangezegd Nederland te hebben verlaten.

2.2 Het besluit vermeldt de naam van de vreemdeling tot wie het is gericht. Het besluit vermeldt, naast de datum waarop het besluit is genomen (de dagtekening) ook de datum met ingang waarvan de verstrekkingen zullen worden beëindigd. Voorts dient het besluit melding te maken van het feit dat de betrokkene voor deze datum het centrum of de door de gemeente ter beschikking gestelde woonruimte zal hebben moeten verlaten.

2.3 Het besluit tot beëindiging van ROA/RVA-verstrekkingen is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB).

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 15 juli 1996 op het hoger beroep van een uitspraak van de rechtbank Zutphen dit “uitgangspunt” bevestigd. Ten aanzien van beëindiging van RVA-verstrekkingen in de centrale opvang is een rechtbasis te vinden in artikel 12 van de Wet COA . Dientengevolge dienen de van toepassing zijnde regels in hoofdstukken I en II van de RVA aangemerkt te worden als algemeen verbindende voorschriften. Een besluit op basis van deze regels is daarmee een beschikking in de zin van artikel 1:3 AWB. Ten aanzien van de beëindiging van de ver-strekkingen aan vreemdelingen woonachtig in een door de gemeente ter beschikking gestelde woonruimte (decentrale opvang) oordeelde de Raad van State dat de regels in de ROA, zoals neergelegd in Hoofdstuk III, die betrekking hebben op de inhoud van met gemeenten afgesloten overeenkomsten omtrent het bieden van opvang aan asielzoekers, zijn aan te merken als beleidsregels. Hierin heeft de Minister (lees, Staatssecretaris) de voorwaarden neergelegd waaronder het Rijk de bijdragen ter beschikking stelt van de gemeente die zich er toe heeft verplicht opvang te verschaffen aan de betrokken asielzoekers. Deze regels zijn, aldus de Raad van State, niet rechtstreeks van toepassing op de beslissingen van B&W ter zake van de verstrekkingen in het kader van die opvang, doch B&W plegen die regels toe te passen, waar het gaat om het toekennen en beëindigen van verstrekkingen aan individuele asielzoekers. Onder deze omstandigheden komt de Raad van State tot het oordeel dat het besluit van B&W tot beëindiging van de ROA-verstrekkingen een beschikking is in de zin van artikel 1:3 AWB.

2.4 De beschikking tot beëindiging van de ROA/RVA-verstrekkingen dient te worden genomen met in inachtneming van de vereisten zoals vermeld in de AWB. Dit brengt met zich mee dat het besluit (de beschikking) zorgvuldig moet worden voorbereid. De AWB stelt bovendien in artikel 3:2 als voorwaarde dat bij de voorbereiding van de beschikking het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Het COA of de gemeente zal zelfstandig dienen na te gaan of er voldoende gronden zijn om de ROA/RVA-voorzieningen te beëindigen. Het zal zich ten eerste er van dienen te vergewissen dat voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 8 Rva 1997 en artikel 15 ROA. Het COA of de gemeente zal moeten nagaan of (werkelijk) een last tot uitzetting is afgegeven en voorts de vreemdeling een datum is aangezegd waarop hij Nederland zal hebben moeten verlaten. Daarnaast zal het COA of de gemeente zich ervan dienen te vergewissen dat de betrokken vreemdeling weigert medewerking te verlenen aan het verkrijgen van vervangende reis- en identiteitsdocumenten en hierbij dienen na te gaan of de ’vaststelling’ van de Vreemdelingen-dienst gebaseerd is op een zorgvuldig onderzoek.

Het is aldus niet voldoende dat in het besluit tot beëindiging van de verstrekkingen slechts wordt verwezen naar de vaststelling van de VD dat voldaan is aan de vereisten vermeld in artikel 8 Rva 1997 of artikel 15 ROA en de vaststelling dat de betrokken vreemdeling niet meewerkt aan het verkrijgen van de benodigde reis- en identiteitsdocumenten.

2.5 Het bovenstaande brengt met zich mee dat het COA of de gemeente zich zal moeten afvragen of zij de “vaststelling” (het oordeel) van de VD dat de vreemdeling niet meewerkt aan het verkrijgen van de voor zijn verwijdering benodigde documenten in het voorliggende individuele geval kan overnemen, door deze vaststelling “op marginale wijze” te toetsen. Benadrukt moet worden dat dit dus géén toetsing in volle omvang door de gemeente of het COA inhoudt. De toetsing bestaat (slechts) hieruit dat de gemeenten of het COA nagaat of de VD, gelet op de door de VD ondernomen onderzoeksactiviteiten en de daarbij behorende gegevens, in alle redelijkheid tot deze “vaststelling” is kunnen komen. Het COA of de gemeente maakt aldus een zelfstandige afweging of zij de door de VD vastgestelde weigering door de vreemdeling om medewerking te verlenen zal overnemen. Het COA of de gemeente zal zich aldus (slechts) de vraag moeten stellen en beantwoorden of de gegeven motivering van de VD de “vaststelling” kan dragen (of deze “vaststelling” voldoende is onderbouwd). Dit overigens zonder het door de VD verrichte onderzoek nog eens over te doen. Het is immers de taak en verantwoordelijkheid van de Vreemdelingen-diensten om de benodigde documenten te verkrijgen. Ook is bij de VD en IND de specifieke deskundigheid en ervaring aanwezig om te bepalen op welke wijze de benodigde documenten verkregen kunnen worden én in welke gevallen de conclusie kan worden getrokken dat de betrokken vreemdeling zijn medewerking tot het verkrijgen van de documenten zal hebben geweigerd. Het is, met andere woorden, dan ook zeker niet zo dat de gemeente of het COA de asielaanvraag opnieuw moet toetsen of dient te beoordelen of terugkeer naar het land van herkomst wel veilig is.

Het COA en de gemeenten kunnen dan ook in beginsel de “vaststelling” van de VD dat medewerking is geweigerd overnemen, tenzij het COA of de gemeente op grond van de beschikbare gegevens van mening is dat de “vaststelling” van de VD dat medewerking is geweigerd niet kan worden gevolgd. Met andere woorden, de gemeente of het COA zal met name moeten nagaan of de VD in het concrete geval een voldoende onderbouwde en draagkrachtige motivering heeft gegeven voor de “vaststelling”.

2.6 Het COA of de gemeente zal in voorkomende gevallen de VD in kennis moeten stellen van het feit dat zij de door de VD gegeven “vaststelling” niet overneemt. Het verdient aanbeveling dat alvorens de VD hiervan in kennis wordt gesteld, het COA of de gemeente bij de VD nadere informatie inwint over de wijze waarop de VD tot de “vaststelling” is gekomen. Wellicht is immers niet alle bij de VD aanwezige informatie aan de gemeente verstrekt of kan de VD anderszins de “vaststelling” toelichten.

Het verdient daarnaast ook aanbeveling de VD te berichten wanneer de vaststelling wel is overgenomen als feitelijke grondslag voor de beschikking tot beëindiging van de opvangvoorzieningen.

Regeling
Herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
17-03-1999
BWB-id
BWBR0010197
Versie
1999-03-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl